Wiel en bagage (De kleine wetenschap nr. 22)

De uitvinding van het wiel wordt overal ter wereld beschouwd als zeer belangrijk. En hoe merkwaardig dat ook mag klinken: zo oud is het niet. Een jaar of drieduizend, misschien. In het Midden-Oosten, in het gebied dat door de Sumeriërs werd bewoond, bij de stad Ur, zijn sporen van de eerste wielen gevonden. We weten niet aan wie we de uitvinding te danken hebben. Jammer. Er is een theorie die zegt dat het rijwiel niets anders is dan een verticaal gezette pottenbakkersschijf. Dat is een verklaring. Maar je moet maar op het idee komen. Er is toen iemand geweest – denk ik – misschien een pottenbakker en ook een dromer. Als hij (of zij) niets te doen had, liet hij ronde steentjes van een helling rollen. Op zekere dag, terwijl hij naar huis liep, nog denkend aan een steentje dat mooi gerold had, zette hij zijn voet op zo'n rond steentje. Per ongeluk. Hij werd door dit steentje dusdanig verrold dat hij zijn evenwicht verloor en viel. Veel uitvindingen en ontdekkingen beginnen met een ongeluk. Denk aan Archimedes, Isaac Newton en Berthold Schwarz – soortelijk gewicht, zwaartekracht en buskruit. Deze dromer zag, al vallend, plotseling de mogelijkheid van het rollend transport. In zijn brein ontstond de kortsluiting die alleen het genie kent. Een verticale schijf! Daaruit is de éénwielige kruiwagen ontstaan. Toen kwamen de tweewielige ren- en strijdwagens (Ben Hur) en eindelijk, na nog een paar eeuwen was het zover: het vierwielige rijtuig. Zo ongeveer stel ik het me voor.

Pas toen het wiel betrouwbaar onder de koets was bevestigd, zijn de mensen over land gaan reizen. Lange afstanden per koets. Erasmus reed van Rotterdam naar Bazel; Goya van Barcelona naar Bordeaux. Grote reizen betekent: veel bagage. Alle benodigdheden, lijfgoed, boeken, gereedschap werden in kisten verpakt. De kist was al veel eerder uitgevonden: het verplaatsbare ding voor transport en bewaring. De kist op zichzelf is onhandig, moeilijk aan te vatten. We kunnen het ons nu bijna niet meer voorstellen, maar voor het reizend deel van de mensheid moet het een geweldige sprong voorwaarts zijn geweest, toen het handvat werd uitgevonden. Eerst kwamen er handvatten aan de zijkanten van de kist, toen één handvat aan de bovenkant. De koffer was geboren!

Hoeveel koffers zouden er sindsdien zijn gemaakt? Miljarden, in alle varianten en modellen. De koffer heeft één eigenschap die de eigenaar/gebruiker parten speelt: altijd weer lijkt het dat er meer in kan dan dat er werkelijk in gaat. Daardoor krijgt de eigenaar ruzie met zijn koffer, en dit meestal weer op het ongelukkigste ogenblik, in de laatste uren, minuten voor het vertrek. Het dikste lid van de familie gaat op de koffer zitten, het technisch meest begaafde lid doet de sloten dicht, de sterkste moet hem dragen. Dat heb ik overal gezien, zo lang ik op reis ben. Hoe ze zeulden, op de perrons en de vliegvelden. Er kwamen kruiers, je kon bagagewagentjes huren, maar altijd weer was er het ogenblik waarop de reiziger zelf de koffer aan zijn ene handvat moest pakken om hem in het bagagenet te tillen. Verschrikkelijk.

Dat is zo gebleven, of erger geworden. En hoe het nu mogelijk is, begrijp je niet maar pas een jaar of twintig geleden is iemand op het idee gekomen om een tweewielig karretje te maken, inschuifbaar en met een platformpje waarop de koffer kon worden gezet. Drieduizend jaar nadat het wiel was uitgevonden en honderden nadat de koffer was ontstaan, werden aan de koffer tijdelijke wieltjes toegevoegd. In de evolutie wordt dat een mutatie genoemd. En nu zijn ook deze karretjes alweer zeldzaam geworden. De koffers hebben zelf wieltjes, ze worden met wieltjes geboren. Je hebt ze met twee wieltjes, die een deel van het gewicht dragen, en met vier die je als een dikke hond aan achter je aan trekt. Allerlei varianten zie je, maar de mutatie is voltooid.

En nu: terwijl na al die eeuwen de mens met zware bagage waarschijnlijk de laatste fase van dit reiscomfort heeft bereikt, komt de regressie: in de vorm van de rugzak. Dat hebben we ook al een jaar of veertig geleden zien aankomen. Het eerste begin – zoiets blijkt altijd achteraf – ligt in de jaren zestig toen de hippies naar Kathmandu gingen. Daarna kwam voor de jeugd de interrailkaart waarmee je door heel Europa kon. Al die jonge reizigers hadden een moderne rugzak met een frame. Koffers waren voor de bejaarden boven de dertig. Kan ik me voorstellen. We wisten toen nog niet dat de rugzak aan zijn come-back was begonnen.

Nu bestaan koffer op wieltjes en zware rugzak naast elkaar. Daar zit iets absurds in. Je ziet ze zeulen als kamelen, ze zijn op hun rug twee keer zo dik geworden, soms dragen ze op hun borst nog een contragewicht, met dat alles kunnen ze niet meer op gewone banken zitten, als ze zich omdraaien slaan ze met hun pakkage omstaande passagiers uit hun evenwicht, in het openbaar vervoer maken ze vijanden, terwijl toch alles wat in zo'n rugzak zit, gemakkelijk in een middelbare koffer op wielen kan. En niet alleen de jongeren zijn gerugzakt; ook vitale vijftigers, tachtigers gaan als primitieve, zuivere Wanderbursche door de zomerwereld.

Er zal weer iets komen, analoog met de gevulde reep. Zuivere chocola is zeldzaam geworden, er zit altijd iets in. Een koffer met wieltjes noem ik nog een zuivere koffer. Een rugzak is een rugzak. Ons staat te wachten: de rugzak op wieltjes, een amfibie op bagagegebied. Niemand heeft er om gevraagd, maar het is onafwendbaar.

PS: Vorige week heb ik een verkeerd telefoonnummer van Aviodome vermeld. Het juiste nummer is 020-406.8000