Trojaanse vrouwen aan de Noordzee

Op het gisteren geopende twintigste Oerolfestival wordt duidelijk hoe adembenemend locatietheater kan zijn. Duinen, strand of het ruim van een coaster - alles kan dienen als decor voor opzienbarende voorstellingen.

,,De heupzwaai van de duinen houdt de zee op afstand'' – Jan Wolkers, sedert vele jaren Texelaar, is afgereisd naar dat andere, ruigere, waddeneiland, Terschelling, om de opening op te luisteren van het 20ste Oerol, het festival van straat- en vooral van locatietheater dat van het eiland een podium maakt. Hij doet dat met verve en met een keuze uit zijn meeslepende zee-, strand- en duingedichten waarin de zee lacht en de koperwieken rondjes vliegen.

Ademloos luistert het publiek naar zijn voordracht en gniffelt vervolgens bij de traditioneel korte welkomstwoorden van festivaldirecteur Joop Mulder: ,,Als we allemaal goed naar boven blijven kijken dan blijft het droog en wordt dit een geweldig festival.''

Vervolgens ontrolt zich, onderaan het duin aan de westkant van het eiland, de adembenemende openingsvoorstelling, van de Haagse theatergroep de Appel: Trojaanse vrouwen van Euripides. Regisseuse Cançi Geraedts weet hoe ze een Noordzee-strandvlakte geschikt moet maken voor een Griekse tragedie. De Griekse helden zijn gehelmde ploerten op crossmotoren, de Trojaanse maagden dansen in aan flarden gescheurde hoepelrokken een naargeestige cancan in het zand. Koningin Hekabe (Sacha Bulthuis verstard tot een jankende pop in een enorme rode japon) moet verkleumd toezien hoe haar familie te gronde wordt gericht; Menelaos steekt zijn kop in een emmer bloed, terwijl de goden, Poseidon (Carol Linssen briljant als een charmante mafioso) en Athene (Geert de Jong een en al ijselijke stem) het koelen van hun woede boven alles stellen. En omdat Cassandra hoelahoepend de blues schreeuwt, voelen we dat tegen ploerten geen kruid gewassen is, zelfs al knoopt in de verte, boven de zee, de zon een rood lint om de horizon.

Het Oerolfestival is nog maar net begonnen, ik zag pas drie voorstellingen en alledrie bewezen ze hoe onnavolgbaar locatietheater kan zijn. Trojaanse vrouwen buit de tragische kracht van de natuur uit, terwijl in het claustrofobisch ruim van een coaster de dans- en videotheatervoorstelling Waterkracht van Sjoerd Wagenaar en André Pronk een wreed web weeft, door duizenden liters water zes dansers en twee musici te laten aanvallen zonder dat ze kunnen ontsnappen.

Prachtig is, onder regie van Anke Boerstra, ook de voorstelling Sil geworden, een bewerking van Cor Bruijns roman Sil de strandjutter. Doeltreffend gebruik makend van de enorme ruimte tussen zee en duinen, van een bootje, van de golven, van paarden en een hond, en met het helmgras als bitter decor voor een klein huis met een rokend potkacheltje, zien we hoe Sil, de koppige, (Reinout Bussemaker met zijn mooie eenzame présence en zijn sensitieve stem) een dochtertje jut, zijn zoons kwijtraakt en, verlaten en verweesd, tenslotte door zijn vrouw wordt gered: ze droogt hem teder af en terwijl de avond valt is hij even veilig voor de wereld die hem van alle kanten letterlijk aanloeit.

,,Het Noorderlicht verbleekt de ster/ van Bethlehem tot kaarslicht op een herdersknuist'', begint het gedicht dat Jan Wolkers speciaal voor Oerol schreef. Terwijl hij het voordroeg stroomde er langs de donkere rand tussen zee en hemel een groen-rode deken van licht. Een laserkanon vanaf een booreiland van de NAM. Of toch een ongekende Oerol-versie van de aurora borealis?