Sterfhuizen

Het grote verschil tussen de faillissementen van toen en van nu is dat het moment waarop de vennootschap financieel strand, nu niet meer hoeft samen te vallen met het staken van de activiteiten van de onderneming. Failliet hoeft niet te betekenen dat al het personeel in een klap op straat staat.

Vroeger bestond het idee dat de continuïteit van een bedrijf, inclusief alle onderdelen, hoogste prioriteit had. Verlies lijdende dochterondernemingen werden tot de laatste snik draaiend gehouden met geld uit goedlopende bedrijfsonderdelen. Toen het conglomeraat OGEM failliet ging werd de zogenoemde `sterfhuisconstructie' bedacht. Pas ná dat het fout was gegaan ging men proberen om levensvatbare bedrijfsonderdelen aan andere bedrijven te verkopen.

Tegenwoordig gaat dat anders. Grote bedrijven worden nu beheerd als een portefeuille van activiteiten waaruit voortdurend onderdelen verkocht kunnen worden. En als een onderdeel matig rendeert, wacht men niet met personeel te ontslaan totdat de onderneming failliet is. Je zou bijna kunnen zeggen dat ook gezonde bedrijven geleid worden als een `sterfhuis'.

Als nu een groot beursfonds failliet zou gaan, zou dat betekenen dat de nog resterende bedrijfsonderdelen stuk voor stuk aan de meestbiedende partijen, meestal concurrenten, verkocht worden. Maar het kan best zijn dat de meeste daarvan levensvatbaar zijn. Zeker als het faillissement vooral het gevolg is van te grote investeringen in projecten die pas op de lange termijn winst kunnen opleveren.

Het faillissement is vooral het startschot voor een gevecht tussen partijen die allemaal recht menen te hebben op een stuk uit de opbrengst van de boedel: schuldeisers, aandeelhouders, tegen elkaar, maar vaak ook onderling.