Sport is de Haarlemmer olie van nu

Waarom wordt doping niet vrij gegeven? Het is een vraag die niet opkomt bij overheidsinstanties. Alleen mensen die de sportbeoefening in een breder verband zien, dragen steekhoudende argumenten aan. Maar ze worden niet gehoord. Sportfilosoof Johan Steenbergen verwondert zich over het verbod op doping.

`Wat is nou sport?'. Deze vraag hebben Johan Steenbergen en Jan Tamboer regelmatig aan elkaar gesteld. En wanneer twee sportfilosofen elkaar vragen stellen, duurt het even voordat het antwoord is gegeven. Bij deze vraag heeft Tamboer het antwoord echter altijd paraat, weet Steenbergen. ,,Sport is de enige praktijk waarin je op doping wordt gecontroleerd'', citeert de voormalige student sportfilosofie met plezier zijn voormalige docent.

Sinds Tamboer in 1990 aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit van Amsterdam de kans kreeg onderwijs te geven in sportfilosofie, hebben docent en student elkaar bestookt met vragen over de zin van sport. Wat beweegt mensen zich te bewegen? Zoiets. Gevoed door buitenlandse publicaties, probeerden ze antwoorden te vinden op vragen als: Waartoe dient sport, wie bepaalt wat sport is, wat doet de commercie met sport, wat doen de media met sport en waarom mag doping niet?

Het boek Sport Filosofie dat zij vorig jaar uitbrachten, biedt een verhelderende blik op de betekenis van sport in de samenleving en vooral haar snelle evolutie. Waar de jongste een progressieve criticus is, is de oudste een conservatieve waarnemer. Wat overblijft is een opmerkelijk geschrift dat de vraag oproept of gezagsdragers er wel notie van hebben willen nemen. Weinigen die de sport een warm hart toedragen, hebben het boek gelezen.

Johan Steenbergen (38 jaar, in zijn jeugd basketballer, atleet en tennisser, later bewegingswetenschapper, nu afgestudeerd sportfilosoof) wil geen militante sportliefhebber zijn. Hij stelt bij voorkeur vragen, met als referentie een uitspraak van Bertolt Brecht dat `topsport begint waar de gezondheid ophoudt'.

Zo begint bijvoorbeeld het boek `Doping. De atleet als machine' uit 1992, van David Hoberman, waarin deze Amerikaan beschrijft hoe de prestatiedrang in de topsport tot ongekende hoogten wordt opgezweept, en wel als gevolg van een verstrengeling van de belangen van de atleten zelf met die van de wetenschap, techniek, politiek en commercie. De topsport is geworden tot een `gigantisch biologisch experiment', aldus Hoberman, en veel topsporters blijken zelfs bereid hun leven te riskeren bij hun jacht naar overwinningen.

Dezer dagen, wanneer Steenbergen voorbij de televisiezenders zapt, wordt hij wederom geconfronteerd met de vraag: waarom gaat het altijd over doping? ,,Het gaat niet meer om de sensatie van sportprestatie, maar om de sensatie dat sportmensen iets doen wat tegen de regels is. Foei! Alsof doping het enige middel is waarmee sporters hun natuurlijke grenzen proberen te verleggen. Het argument dat alle sporters met gelijke kansen moeten kunnen beginnen, gaat nooit op. Het ene lichaam is anders dan het andere. De één komt uit een andere milieu dan de ander. De ander heeft betere faciliteiten. De één heeft een klapschaats. Waarom mogen die verschillen wel bestaan en doping niet?''

Het aloude argument dat een overeenkomstig verbod niet geldt voor musici, ballerina's, politici, wetenschappers, beursjongens en journalisten, die ook zo goed mogelijk willen presteren, wordt uit de kast gehaald. ,,Van al die mensen wordt een eigen verantwoordelijkheid verwacht. Maar zodra het sporters betreft, treedt een vorm van paternalisme in werking. Alsof sporters kinderen zijn die een vaderlijke hand nodig hebben. Aan de andere kant willen we dat de sporters wereldrecords breken, de hoogste bergtoppen beklimmen en zoveel mogelijk gouden medailles behalen. Het is hypocriet. En geen van betrokkenen die reflecterend bezig is, zeker de opportunistische media niet. Alleen de sporter wordt verantwoordelijk gesteld.''

Hij moet toegeven dat de topsporter zo kwetsbaar is als een kind. In diens streven naar het hoogste hoeft hij misschien niet meteen beschermd te worden tegen zichzelf, maar dan toch zeker tegen de druk van zijn omgeving. ,,Dan is dus de sporter niet schuldig wanneer hij op doping wordt betrapt, maar de overheid die om een of andere reden wil dat hun sporters wereldrecords breken en gouden medailles en liefst nog meer behalen.''

Doping is schadelijk voor de gezondheid. Dat is naast de `ongelijke kans' de tweede pijler waarop de dopingregels zijn opgesteld. Of nog erger: genetische manipulatie ligt op de loer. De bionische mens regeert straks de arena's. Afgezien van het feit of het publiek hier problemen mee heeft, ligt daar het probleem niet.

,,Het gezondheidsargument telt natuurlijk. Maar waarom dan alleen in sport en niet op andere gebieden in de samenleving? Mensen beschermen tegen overbelasting hoeft toch niet door middel van een verbod op het nemen van middelen? Voorlichten en toedienen van medicatie onder toezicht heeft meer effect dan verbieden.''

Waarom geeft men doping niet vrij? ,,Ik begrijp niet waarom. Het zal te maken hebben met een traditionele opvatting. Afkomstig uit de olympische beweging of nog eerder uit het Victoriaanse tijdperk, dat sport zuiver en gezond moet zijn. Vroeger mochten ook geen vrouwen aan sport doen, vervolgens werden alleen amateurs tot zuivere sporters gerekend en werden beroepssporters van de Olympische Spelen geweerd. Nu bepalen betaalde sporters het gezicht van de Spelen. Het verbod op doping is traditionele opvatting, niet meer van deze tijd is.''

Hij verwijst naar de symbolische betekenis van sport in de samenleving. ,,Als alles in de samenleving verdorven is, moet sport ons redden. Sport staat voor zuiverheid, voor gezonde mensen. Het is een hype geworden. Ik kan me herinneren dat marathonloper Gerard Nijboer begin jaren tachtig eens zei dat hij tijdens de training werd nageroepen: `Hé, moet je niet aan het werk?' Nu zeggen de mensen tegen elkaar: `Je moet aan fitness gaan doen, dan voel je je gezond.' Het is normgedrag. Daar spelen overheidsinstanties op in en daar ontleent de olympische beweging zijn status aan. Sport moet zuiver blijven.''

De opkomst van voedingssupplementen is een bewijs dat sport in relatie tot gezondheid aan het doorschieten is. ,,We doen aan sport, maar als we vermoeid raken nemen we iets om te herstellen. We doen iets ongezonds, maar zoeken een middel om ons geweten te sussen. Frank de Boer is een prachtige, sportieve voetballer, toch laat hij zich verleiden tot het nemen van middelen die hem fit houden, hoe onschuldig ze ook lijken te zijn.

,,Het heeft allemaal te maken met de gezondheidscultus. Overgewaaid uit de Verenigde Staten. Sport staat daar voor een dynamische levensstijl. Aerobics, dieetprogramma's, afslankmachines, fitnesspillen, vitaminecampagnes, energiedrankjes. Daar verleidt de commercie het volk mee. Uitgerekend de multinationals en de televisieomroepen die populair zijn en nog populairder willen worden, sponsoren de Spelem. Wanneer de olympische beweging doping zou toelaten, verloochent ze haar ideologie en verliest ze zijn geldschieters. Aan de andere klant heeft de olympische beweging sponsors nodig.''

Steenbergen schiet een mooie vergelijking te binnen. ,,Sport is de Haarlemmer olie van deze tijd.'' Want: ,,De overheid heeft geld en stopt het in gezondheidscampagnes, sociale integratie door middel van sport, in multiculturele acties en in sportonderwijs. Dan kun je toch niet zomaar doping tolereren. Dat botst. Daarom wordt het gebruik van stimulerende middelen niet gauw wordt getolereerd.''

Topsporters moeten als rolmodel fungeren. Ze moeten `schoon' zijn, opdat de jeugd zich gaat gedragen volgens de heersende fatsoensnormen. Kun je dat van een toch al overbelaste topsporter vragen?

,,Hij moet zijn grenzen verleggen, hij moet onder druk van het publiek, van de sponsoren, de overheid en de media topprestaties leveren en dan moet hij ook nog denken aan zijn rol als voorbeeld voor de jeugd. Mooi dat Pieter van den Hoogenband zo'n keurige jongen is, maar ik heb toch liever sportmensen die anders zijn dan normale mensen. Romario, Maradona, Cruijff, originele mensen die het avontuur zoeken, gek doen, artiest zijn, dat is toch waar we naar verlangen.

,,Sportmensen moeten zich van bovenaf gedragen als ambtenaren van het naburige kantoor. Walgelijk! De underdog wint niet meer. Het is een grijze massa geworden. Voetbal interesseert me nauwelijks meer. Systemen om het individu te onderdrukken maken de sport kapot. Sportmensen met zin in avontuur nemen af.''

De roep om sensatie klinkt. ,,Waarom staat er niemand in het wielerpeloton op en zegt: `En nu is het afgelopen met doping, we rijden allemaal zuiver' of `we pikken het niet langer, we slikken wat we willen, want iedereen wil dat we de bergen met zestig per uur beklimmen'. Er is geen Hinault, geen persoonlijkheid, een man met een grote mond. Bijnamen, waar vind je ze nog?

,,Sportmensen zijn angsthazen en volgers van het systeem geworden. Onderdrukte sportmensen. Het gekke is: waarom blijven ze gebruiken? Omdat Coppi, Merckx, Anquetil, Thévenet, Zoetemelk, Moser ook pakten en nooit weggehoond zijn? Zoetemelk is drie keer gepakt, maar hij staat meer bekend als de Tourwinnaar en de man die vijf keer tweede werd, dan als dopingzondaar. Dat weten die renners. Waarom pakt Frigo nog steeds, terwijl hij weet dat de hele wereld op jacht is naar dopinggebruikers? Diep in in zijn hart weet hij waarschijnlijk dat hij een nog grotere held wordt wanneer hij mét doping de Giro wint. Dan pas ben je een held, zeker in het peloton. Laten ze een commissie van renners instellen die een standpunt inneemt. Ze willen geen gelijke kansen. Het is een sport geworden: wie de beste middelen neemt en toch niet gepakt wordt. Ook fascinerend, nietwaar?''

Maar als het dopingverbod is gebaseerd op hypocrisie, hoe kan het dan opgeheven worden? Moeten ruimdenkende mensen als Johan Steenbergen dan het voortouw nemen. ,,Wij sportfilosofen reflecteren en proberen aan de basis mensen te vertellen hoe wij erover denken. NOC*NSF toont sinds kort interesse en heeft mij gevraagd ideeën over een ethische commissie te uiten. Het begin is er. Ik kan alleen mijn visie uitdragen. Maar wil de sport het dopingvraagstuk oplossen, dan moet het niet van sluwe juristen en naïeve wetenschappers komen, maar van de sporters zelf. Ik kan de overheid wel vertellen dat nog strengere dopingcontroles tot niets leiden. Ik kan de overheidsinstanties vertellen dat twintig gouden medailles de samenleving niet gezonder maken. Maar ze luisteren niet naar filosofen. Ze luisteren liever naar de waan van de dag. Ik ben al blij dat ik een adviserende rol mag vervullen.''