Pro-Amerikanisme

Het Amerikaanse plan voor een antiraketschild is een prachtige fantasie, een jongensdroom. Onkwetsbaar te zijn in een vijandige wereld, onschendbaar voor elke agressor, veilig tegen elk gevaar. Het is een onweerstaanbaar vooruitzicht, waar de Europeanen, met hun toverdrank uit Asterix, alleen maar kinderachtig jaloers op kunnen zijn. Zelden heeft een project zo feilloos voldaan aan de door de dichter Robert Frost gegeven definitie van the American Dream: `an irresistible impossibility'. Wie van een Amerikaanse president (of van de Amerikaanse bevolking) vraagt de Amerikaanse droom te verloochenen, vraagt het onmogelijke.

Vanaf het moment dat de eerste ballistische raketten een intercontinentale atoomoorlog mogelijk maakten, begin jaren vijftig, moeten de Amerikanen hebben gezonnen op een herstel van hun onkwetsbare positie. Weinig voorvallen uit de episode van de bewapeningswedloop en de Koude Oorlog zijn voor de VS zo dramatisch geweest als de Russische lancering van de Spoetnik in 1957. Pas toen Armstrong en zijn kornuiten voet op de maan zetten, meer dan tien jaar later, was het geschonden ego van de Amerikanen enigszins hersteld en was in ieder geval hun achterstand op de Sovjet-Unie op het gebied van rakettechnologie ongedaan gemaakt.

Zou het plan voor een antiraketschild niet als een volgend maanproject kunnen worden beschouwd, met alle technische, wetenschappelijke en economische spin-off vandien, in plaats van als waanzinnige geldverspilling? Men zegt dat Bush de loopjongen is van wat vroeger wel het militair-industrieel complex werd genoemd, de bedrijven die de defensieorders in de wacht slepen. Maar de miljardeninvesteringen in deze industrie hebben de Amerikanen in het verleden geen windeieren gelegd. Het omzetten van absurd lijkende visioenen in nieuwe realiteit is de essentie van het Amerikaanse credo. ,,Indien er één wijsheid is die Amerika veroverd heeft'', schreef de Nederlandse historicus J. Presser, ,,dan is het die, dat het niet erg is wanneer een horizon wijkt, zolang men er maar heen marcheert.''

Tegenstanders van het antiraketschild vrezen dat er een nieuwe impuls aan de wapenwedloop van uit zal gaan. Maar tussen wie en wie zou die wedloop zich moeten afspelen? Met meer recht zou je kunnen zeggen dat de Verenigde Staten een voortrekkersrol spelen bij de ontwikkeling van een defensief systeem dat de wereld kan beveiligen tegen terroristen of agressieve staten die zich van de rakettechnologie hebben meester gemaakt.

Maar het ABM-verdrag uit 1972 dan, waarbij de installatie van antiballistische raketten expliciet is verboden? Bush wil dat verdrag eenzijdig opzeggen. Het heeft zijn functie – bewaren van het Oost-West-evenwicht door middel van de dreiging met wederzijdse gegarandeerde vernietiging – inmiddels verloren. Of het antiraketschild ooit zal werken is een andere vraag, maar gun de Amerikanen toch hun dromen over `irresistable impossibilities' en gun de wereld de zegeningen die de research, juist dankzij het massale en geldverslindende karakter ervan, ook nu weer zal opleveren. Het is een surrealistisch plan, maar was de reis de maan of is de geest van de frontier minder surrealistisch?

Een centraal thema tijdens het eerste bezoek dat George W. Bush deze week als president aan Europa brengt, is het verzet van de Europese NAVO-bondgenoten van de VS tegen het antiraketschild. Zij vrezen dat hiermee de aloude `atoomparaplu' die Amerika boven West-Europa hield wordt ingeklapt. Is dit een symptoom van een nieuw politiek anti-Amerikanisme?

Bush heeft, na zijn nipte en volgens sommigen gestolen, althans twijfelachtige verkiezingszege velen, ook buiten de VS, tegen de schenen gestopt. Niet alleen met zijn voorgenomen antiraketschild. Uit Washington lijkt een ultraconservatieve wind te waaien. Als paradigma kan de Amerikaanse afwijzing dienen van de in Kyoto gemaakte afspraken over internationale inspanningen ter redding van het klimaat. Maar er zijn meer voorbeelden. De VS weigeren zich te onderwerpen aan de jurisdictie van een internationaal strafhof dat misdaden tegen de menselijkheid moet kunnen berechten. Het land vertoont een obsessie met de doodstraf die zich weer eens manifesteerde in het macabere circus rond de executie van de terorist McVeigh. Toch rechtvaardigen deze voorbeelden op geen enkele manier de uitstoting van de VS uit de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, een stommiteit die begrijpelijke aanstoot in Washington heeft gegeven.

Ik heb anti-Amerikanisme altijd stompzinnig gevonden. Ook ten tijde van Vietnam? Ook toen Martin Luther King werd vermoord? Ook toen burgerrechtenactivisten werden gelyncht? Ook toen de CIA Suharto aan de macht hielp of Allende liet vermoorden? Ook ten tijde van de neutronenbom en de kruisraketten? Yes!

De studentenbeweging die in de jaren zestig en zeventig het gezag uitdaagde, begon niet in Parijs, laat staan in Amsterdam of Praag, maar in Berkeley (Californië) in 1964. Die studentenbeweging leek anti-Amerikaans, ze werd in elk geval als zodanig door het establishment verketterd. Maar waar werd het gestolde wereldbeeld van de Koude Oorlog het eerst doorbroken? In Amerika, waar zich het epicentrum van een culturele aardbeving bevond. Wie waren er de voorlopers van? Amerikanen: Jack Kerouac, Allen Ginzberg. Welke theoretici droegen het meeste bij aan de kritische houding van mensen die probeerden de Oost-Westverstarring te doorbreken en tegenover het koude-oorlogsdenken nieuwe voorstellingen over rechtvaardigheid plaatsten? Amerikanen, zoals de deze week tachtig jaar geworden rechtsfilosoof John Rawls, of naar Amerika uitgewekenen zoals Herbert Marcuse. Kom mij niet aan boord met anti-Amerikanisme, noch in politieke, noch in culturele zin. In de muziek, in de film, in beeldende kunst en literatuur, is sinds de Tweede Wereldoorlog Amerika ons voorbeeld, ons voorland. De Europese en Amerikaanse cultuur zijn te onderscheiden fenomenen, maar zij groeien nog altijd naar elkaar toe.

De kritiek op Bush, ook van Europese regeringen, de teleurstelling over het torpederen van Kyoto, de Franse boeren die te hoop lopen tegen McDonald's, de zorgen over de veramerikanisering en commercialisering van het culturele leven, de demonstraties in Göteborg – dit alles is even weinig anti-Amerikaans als de protesten (bijvoorbeeld in Seattle) van talloze Amerikanen zelf. De Europese kritiek laat voornamelijk zien hoezeer Europeanen zich Amerikaan voelen met de Amerikanen.