Pretenties

Laatst schreef ik over een tandarts die leraar was geworden. Naar aanleiding daarvan kreeg ik verschillende reacties van lezers die eveneens stappen hadden ondernomen op weg naar het leraarschap, maar nooit het einddoel hadden bereikt. Niet omdat ze niet wilden, maar vanwege de onrealistische eisen die werden gesteld, of simpelweg omdat er geen vacatures waren. Geen vacatures, zult u zich verbazen, terwijl de media bol staan van de rampverhalen over lessen die vervallen, klassen die naar huis worden gestuurd en verkorte schoolweek. De onduidelijkheid omtrent de tekorten heeft in de eerste plaats te maken met terminologie. Vroeger had je onderwijzers en leraren. Omdat inmiddels iedereen leraar is geworden is niet langer duidelijk op wat voor leraren zo'n bericht betrekking heeft.

Wat het voortgezet onderwijs betreft, hangen de tekorten samen met de sector. In het algemeen wordt werken in het havo en vwo het aantrekkelijkst gevonden. Dat is niet zo verwonderlijk. De leerlingen daar hebben een sociale achtergrond die vergelijkbaar is met die van de leraren zelf. Hetzelfde geldt voor hun intellectuele capaciteiten. Logisch dus dat de gemiddelde leraar zich daar eerder thuis voelt dan in die andere en grootste helft van het voortgezet onderwijs, het vmbo, de samenvoeging van mavo met vbo. Daar is dan ook sprake van ernstige tekorten. Kandidaat zij-instromers die graag hun vak willen overdragen krijgen te horen dat ze nog ingrijpend geschoold dienen te worden. In het vmbo, zo wordt hun verteld, kun je niet zo veel kwijt van je vak, daar gaat het vooral om opvoeden. Dit maakt het onderwijs voor geïnteresseerden van buiten onaantrekkelijk. Bovendien getuigt deze benadering van een ernstig misverstand.

Onlangs vertelde mij de directeur van een vmbo over de reünie die kort daarvoor plaats had gevonden op zijn school, het volgende. Terwijl de leraren in de algemeen vormende vakken er wat verloren bij liepen, zochten de oud-leerlingen vooral contact met hun vroegere praktijkleraren. In het onderwijzen van dat vak, waarin de leerlingen later ook waren komen te werken, was blijkbaar een band ontstaan. Die directeur had zich daarover verbaasd, maar in feite is dit niet anders dan wat we allemaal op school hebben meegemaakt. Je voelt je in de regel het meest aangetrokken tot leraren in die vakken die iets voor jou betekenen, die aansluiten bij de sfeer waarin je later ook bent gaan studeren. Leerlingen van het vbo gaan later niet verder met iets in de sfeer van vakken als Nederlands of Engels. Daar ligt noch hun affiniteit noch hun professionele toekomst.

Ik denk dat het een ernstige misvatting is te menen dat er in de lagere vormen van onderwijs vooral moet worden opgevoed. Opvoeden betekent het overdragen van normen en waarden. Normen en waarden neem je alleen maar over wanneer die afkomstig zijn van relevante personen, mensen die we respecteren, die iets voor ons betekenen. Ook weten we dat de overdracht ervan het meest effectief is als die niet expliciet plaatsvindt, maar impliciet, tussen de regels door, wanneer normen en waarden worden voorgeleefd.

Voor alle niveaus van onderwijs geldt dat leraren primair tot taak hebben leerlingen kennis en vaardigheden bij te brengen. Als leerlingen de lessen ervaren als een zinvolle bijdrage aan hun toekomst, zullen ze van die leraren ook meer aannemen dan wat zich beperkt tot hun vakgebied. Het is mijn overtuiging dat de belangrijkste opvoeders die leraren zijn die op dit terrein de minste pretenties hebben.

Prick@nrc.nl