Portret van een ratelend raadsel

Vera Lynn als ochtendvitaminen, de miskende schoonheid van de geranium en Willy, het borstloze vriendinnetje met de hazenlip. Het zijn onderwerpen uit de poëzie van Hans Vlek (1947), in de jaren zestig een van de meest talentvolle jonge dichters van Nederland. Je kon hem in die tijd nog het best de dichter van het dagelijkse leven noemen. Zo weende hij niet om een verloren liefde, maar wel bij het uiensnijden.

Maar nu

is het tijd om te eten:

de aardappelen zijn al koud,

de sju is aan de bordrand vastgekoekt.

Zo gaan zijn gedichten vaak.

Nadat Vlek twee prestigieuze literaire prijzen had gewonnen, belandde hij in een psychiatrische inrichting. Hij was toen nog geen 21. Pas zestien jaar later kwam hij weer met een nieuwe bundel, De Goddelijke Gekte, waarin zijn vroegere nuchterheid vergezeld gaat van een passie voor de klassieke oudheid. Sindsdien zijn er nog twee bundels verschenen en is Vlek weer geheel terug als dichter.

Regisseur John Albert Jansen dweepte in zijn jeugd met het werk van Vlek. Hij moet het dan ook als een grote uitdaging hebben beschouwd om een televisieportret van zijn idool te maken. Het heeft de intrigerende documentaire De Goddelijke Gekte opgeleverd, die meer vragen oproept dan antwoorden geeft. Maar dat hindert in dit geval geen moment. Want hoe groot het raadsel Vlek ook blijft, je krijgt toch een heel goed beeld van zijn leven en gekte, vooral dankzij de rijkdom aan archiefmateriaal die Jansen heeft opgedoken. Zo is er dat hilarische televisie-optreden van Vlek bij Boudewijn Büch, waarin Vlek een gedicht voorleest met een stem die aan professor Diepenhorst doet denken. Het is Koot & Bie en Wim T. Schippers op hun best.

Rode draad in de documentaire is het interview dat Jansen met Vlek heeft gemaakt in diens huidige woonplaats Granada. Het is fascinerende televisie, temeer omdat het met een handcamera is gemaakt en het lijkt alsof Vlek niet in de gaten heeft dat hij wordt gefilmd. Vlek ratelt maar door. Eerst gaat het voortdurend over zijn fascinatie voor jazz – hij begint zijn dag om zeven uur 's ochtends met de muziek van Count Basie – en dan werpt hij langzamerhand steeds meer van zijn (zelf)beschermde lagen af, om via zijn jeugd op de Amsterdamse Marnixkade (,,geen kak, maar doodgewone middle class'') bij zijn ziekteperiode te belanden.

Tegen het eind van het interview ben je eindelijk aan Vleks manier van praten gewend. Dan komt ook het hoge woord eruit en krijg je bijna een brok in je keel als Vlek zegt dat de witte jassen hem kapot hebben gemaakt (,,dat is niet meer te herstellen'').

Een even mooi moment is als de dichter tijdens het gesprek plotseling met een brillenhoesje driftig de salontafel begint schoon te vegen. Het is een terugkerende handeling, die aangeeft hoe zenuwachtig en kwetsbaar hij nog altijd is. Op zulke momenten doet Vlek zelfs een beetje denken aan de schrijver/dienstknecht Jan Arends (1925-1974) en verlang je terug naar de tijd van programma's als Het gat van Nederland of Beeldspaak, waarin lange interviews nog geen taboe op de televisie waren en de kijkcijfers nog niet oppermachtig.

Uur van de Wolf: De Goddelijke Gekte, NPS, zondag, Ned.3, 19.30-20.30u.