MUTATIE HUNTINGTON-GEN IS ZENUWGROEI-FACTOR BDNF TE VEEL

Onderzoekers van de universiteit van Milaan hebben belangrijke details ontdekt over het ontstaan van de ziekte van Huntington. Dat is een erfelijke ziekte van de hersenen die ontstaat door een mutatie in het gen voor het eiwit huntingtine. Met steun van enkele collega's uit de VS, Canada en Zweden vonden zij dat het normale `wildtype' huntingtine de productie van de brain derived neurotrophic factor (BDNF) bevordert. Deze `uit de hersenen komende zenuwvoedende factor' is een eiwit dat onmisbaar is voor het instandhouden van de zenuwcellen van het striatum, het deel van de hersenen dat bij de ziekte het zwaarst wordt getroffen (Science, 14 juni).

De ziekte van Huntington is een erfelijke aandoening die dominant overerft: kinderen van een Huntington-patiënt hebben 50 procent kans op de ziekte. De ziekte slaat meestal toe als de patiënten tussen 35 en 60 jaar oud zijn en kenmerkt zich door het ontstaan van dementie en chorea: snelle spiercontracties op wisselende plaatsen in de ledematen of romp. Het verantwoordelijke gen is in 1993 ontdekt, ligt op chromosoom 4.

Tot nog toe was het idee dat het eiwit van de mutatie plakkerig wordt, waardoor in de getroffen cellen een dodelijk moleculair sneeuwbaleffect optreedt, omdat allerlei eiwitten aan huntingtine blijven kleven. Dit proces voltrekt zich voornamelijk in het striatum, een onderdeel van de grote hersenen.

Medicijnen tegen de ziekte zijn er niet. Dat komt onder meer doordat over de normale functie van huntingtine erg weinig bekend is. Eigenlijk alleen dat het in de hersenschors en het striatum een rol speelt bij de vorming en instandhouding van zenuwcellen en apoptose (geprogrammeerde celdood) van deze cellen tegengaat. Om hier meer over te weten te komen, maakten de Italiaanse onderzoekers celkweken van hersencellen van muizen met en zonder de gevreesde Huntington-mutatie. Vervolgens gingen zij na of de mutatie invloed had op de productie van zenuwgroeifactoren door de gekweekte cellen. Zij vonden daarbij dat de gemuteerde cellen ongeveer half zoveel BDNF aanmaken dan de wildtype cellen. Het BDNF-gen in de gemuteerde cellen bleek minder frequent te worden afgelezen. Dit effect bleek alleen in zenuwcellen op te treden en niet in andere celtypen. Onderzoek van de hersenen van overleden Huntington-patiënten bevestigde het beeld dat door het onderzoek aan gekweekte muizencellen was ontstaan.

Onderzoeksleidster Elena Cattaneo concludeert dat de gangbare visie over het ontstaan van de ziekte van Huntington aangepast moet worden. Bovendien is volgens haar nu duidelijk dat onderzoek naar een mogelijke therapie kan beginnen bij stoffen die, net als huntingtine, de expressie van het BDNF-gen kunnen versterken.