Landbouw 3

Het artikel `Twijfel aan de voordelen van de biologische landbouw' (W&O, 19 mei) is voor mij aanleiding tot `twijfel aan de oordelen over biologische landbouw' van de door Karel Knip geïnterviewden.

Een Wageningse hoogleraar in `theoretische productie-ecologie' noemt biologische landbouw een `taboebeweging', een `filosofie' en het gedachtegoed `romantisch en naïef'. Een onderzoeker, verbonden aan de leerstoelgroep `Biologische Bedrijfssystemen' is van mening dat biologische landbouw niet is voortgekomen uit de wetenschap, maar eerder een `cultuurbeweging' is.

Op basis van sinds ±1920 verrichte wetenschappelijke onderzoekingen kan als wezenlijke kern van de biologische landbouw de drievoudige functie van de bodemflora en -fauna worden beschouwd:

- de voeding van de plant door mineralisatie van organische stof.

- biologische grondbewerking: het zorg dragen voor een gunstige bodemstructuur (grond: water: luchtverhouding) waardoor de plant dat voedsel met behulp van een goed ontwikkeld en gezond wortelstelsel kan opnemen.

- het in toom houden van plantenpathogenen.

Onder een ongerepte natuurlijke vegetatie houdt het bodemleven aldus een duurzame kringloop van organische en minerale stoffen in stand. Het bodemleven is de `motor' in het `Stirb und Werde' proces. Bij de teelt van cultuurgewassen wordt deze kringloop onvermijdelijk verstoord door afvoer van geoogste producten en braakperioden onder invloed van vruchtwisseling.

Het karakteristieke onderscheid tussen gangbare en biologische landbouw berust op een verschillend uitgangspunt bij het herstellen van deze verstoring. In de biologische landbouw begint men met de bodem zo krachtig mogelijk te laten functioneren door organische bemesting, groenbemesting, compost, grondbedekking enz. en vult voor zover noodzakelijk aan: de organische voeding met kunstmest; de biologische grondbewerking met ondiep kerende en dieper woelende mechanische grondbewerking en de biologische ziektebestrijding met chemische middelen.

Op het zuivere akkerbouwbedrijf met overwegend hakvruchten (aardappelen en suikerbieten) als andere uiterste gaat men uit van mechanische en chemische vervulling van de drie functies en vult deze aan met biologische voor zover de `ongunstige nevenverschijnselen' hiertoe noodzaken.

Het verschil in benadering komt onder andere hierin tot uitdrukking dat men in de zomer op een in de herfst diep geploegde akker van het akkerbouwbedrijf geen spade in de grond krijgt, terwijl men onder een natuurlijke begroeiing met gemak een stok in de nooit geploegde veerkrachtige grond steekt. Een gewas op `dode' grond wordt als het ware in leven gehouden in een intensive care met behulp van infuus.

Kortgeleden promoveerde Frans W. Smeding, medewerker van de door Karel Knip bezochte leerstoelgroep Biologische Bedrijfssystemen op een onderzoek waarin hij aantoont dat het voedselweb in de grond de basis vormt van een voedselpiramide boven de grond. Het gevolg is dat het aantal en het aantal soorten vogels op landbouwbedrijven toeneemt naarmate langer biologische landbouw wordt toegepast. Zo kan biologische landbouw toch nog bijdragen aan een romantische culturele beleving.