Kwestie-Cyprus

De heer E.J. Dorhout Mees refereert in zijn brief `Kwestie Cyprus' (26 mei), aan de ,,volstrekt eenzijdige voorlichting van het West-Europese publiek over deze kwestie''. Deze bewering komt echter niet overeen met de werkelijkheid. De Republiek Cyprus, welke door de Verenigde Naties als enige legale staat op Cyprus erkend wordt en waarvan het noordelijke gedeelte vanaf 1974 door Turkije bezet wordt, informeert de hele wereld over het onrecht en de schending van de mensenrechten op Cyprus door de Turkse bezettingslegers. Zij voert geenszins propaganda voor haar eigen zaak.

Een ieder die de uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten in de kwestie-Cyprus nader zou bestuderen, begrijpt dat de Turkse invasie van 1974 allesbehalve een `reddingsoperatie' was. Ook de VN, die als een intermediair fungeren tussen de beide partijen op Cyprus, hebben nooit over een `reddingsoperatie' gesproken. Herhaaldelijk hebben zij de Turkse zijde opgeroepen de noodzakelijke politieke wil te tonen om tot een oplossing van de kwestie-Cyprus te komen.

De Republiek Cyprus gelooft in een vreedzaam samenleven van Grieks-Cyprioten en Turks-Cyprioten op Cyprus. Het feit dat zij de uitkomsten van het topoverleg tussen de Grieks- en Turks-Cyprioten volledig onderschrijft, welk onder meer voorziet in de creatie van een federaal Cyprus, vormt overtuigend bewijs van haar standvastigheid met betrekking tot de uitvoering van de verdragen. Behalve dit, heeft zij de Turks-Cypriotische gemeenschap tevens uitgenodigd plaats te nemen in de afvaardiging die onderhandelt over de toetreding van de Cypriotische Repbliek tot de Europese Unie. De Cypriotische Republiek gelooft dat deze toetreding gunstig zal zijn voor zowel de Turks-Cyprioten als de Grieks-Cyprioten.