Kristallnacht in Bitola

In Macedonië dreigt een burgeroorlog te ontstaan. Met de dag komen de Macedoniërs en de Albanezen meer tegenover elkaar te staan. In het grensstadje Bitola weet de burgemeester zich geen raad: `Ik heb de politie en de bevolking niet in de hand.'

De rouwadvertentie van Kire Kostadinovski is met punaises in de boom geprikt, zoals de gewoonte is in Macedonië. Kire is vierentwintig geworden. De drie collega's van Kire, naast hem op de advertentie, werden niet veel ouder. Een maand geleden liepen de politiemannen in een hinderlaag van de Albanese rebellen in het noorden van het land. Slechts een enkeling wist te ontsnappen, zigzaggend met de auto achteruit de berg af. Een agent die zich schuil hield onder een auto, had in zijn mobiele telefoon nog om versterking geschreeuwd.

,,Kire was een gevierde jongen in Bitola'', verzucht Dejan Stalevski. Hij kan het weten, want beide jongens trokken vanaf de middelbare school met elkaar op. Hun hobby was flirten met buitenlandse toeristes, vooral Zweedse en Duitse meisjes. Maar op een gegeven moment bleven de toeristes weg uit angst voor de oorlogen elders op de Balkan. En aan de middelbare school kwam een eind.

Dat was vijf jaar geleden. Kire ging naar de politieschool. Dejan vertrok met een volksdansgroep naar een amusementspark in Amerika. Daar trouwde Dejan, de minst succesvolle rokkenjager van de twee, na een week met een Amerikaanse werkneemster van het park. Zij staat naast hem en kijkt met ontzag naar de rouwadvertentie aan de boom. Het echtpaar is in Bitola voor de bruiloft van Dejans nichtje.

En Kire? Bitola's populaire jongen ligt op de begraafplaats Sveti Nedelja, Heilige Zondag, aan de rand van de stad. Aan zijn hoofdeinde staan wel twintig kransen. Ter hoogte van zijn borst prijkt een afgeknipte Pepsi-fles met bloemen.

De moord op Kire en de andere drie politiemannen, allen afkomstig uit Bitola en omgeving, is de aanleiding geweest tot een zware uitbarsting van geweld tussen Macedonische en Albanese burgers. Hun dood gaf het Macedonische ongenoegen het laatste zetje en leidde tot grootscheepse rellen. Duizenden inwoners liepen tijdens de begrafenis uit om `hun' jongens de laatste eer te bewijzen.

,,Het was koren op de molen van de Macedonische extremisten'', aldus Muarem Nexhipi, staatssecretaris van Volksgezondheid, lid van de Albanese minderheid in Macedonië en al jaren woonachtig in Bitola. Een priester van de orthodoxe kerk verklaarde de Albanese politieke leiders na afloop van de begrafenis medeplichtig aan de moord op de vier mannen. Een Macedonische tv-journalist beweerde dat Albanezen met hun geweren in de lucht schoten tijdens de uitvaart. Van vreugde.

Deze leugenachtige opmerkingen waren provocaties die hun uitwerking niet misten. Drie dagen later trok een woedende menigte door de straten van Bitola. Ze vernielde, plunderde en verbrandde de winkels van Albanezen. Bij het ochtendgloren lagen tweeënveertig winkels in puin en as. De overwegend uit Slavische Macedoniërs bestaande politie was al die tijd nergens te zien.

Broodje kebab

Sinani Qazim trok veertig jaar geleden met zijn grootvader naar Bitola. De Tweede Wereldoorlog was voorbij, het communistische Joegoslavië werd opgebouwd. Het waren harde jaren, met weinig werk en weinig geld. Bitola bood mogelijkheden, had een vriend van opa gezegd, om een goede boterham te verdienen. Bij de verhuizing was Sinani drie jaar oud. Nu drijft de Albanees Sinani met zijn broers Islam en Nagip een aantal snoepwinkels en restaurants in Bitola.

Problemen hebben ze nooit gehad. ,,We zijn nette betalers, altijd op tijd. Dat scheelt'', zegt Sinani. Af en toe worden de ruiten ingegooid. Maar dat is toch geen racisme?

Op de avond van de rellen sloot Sinani eerder dan normaal zijn winkels. ,,Ik voelde de spanning in de lucht.'' Hij at in de werkplaats een broodje kebab met twee medewerkers, toen hij de meute voor zijn deur hoorde stoppen. Sinani kon niet meer naar buiten, want de enige deur in het vertrek leidde rechtstreeks naar de woedende menigte. Samen met zijn werknemers verstopte hij zich in een kast. Buiten rinkelden de ruiten en drong de menigte de winkel binnen.

Twintig minuten later werd het stiller. Drie mensen bleven achter in de winkel. ,,We steken de zaak in de fik'', hoorde Sinani door de kastdeur heen. Pas toen het vuur knetterde, durfde Sinani de kast te verlaten.

,,In Bitola leefden we altijd in harmonie'', zegt burgemeester Zlatko Vrškovski in zijn afgebladderde gemeentehuis. Bitola is de smeltkroes van Macedonië; er wonen Slavische Macedoniërs, Turken, Albanezen, Grieken, Roma, joden en Vlachen, een minderheid met een aan het Roemeens verwante taal.

Niemand weet precies om hoeveel Albanezen, Turken of Vlachen het gaat. Hun aantal is steevast onderdeel van ruzie. Zo zeggen de Albanezen met meer dan achtduizend mensen in Bitola te wonen, terwijl de burgemeester het houdt op een ruime tweeduizend. Demografie is in deze regio geen statisch gegeven, maar een politiek drukmiddel.

In Bitola was nooit iets aan de hand, meent de burgemeester. De afscheiding van Joegoslavië doorstond de stad zonder problemen. De Serviërs ontruimden de grote legerbasis in de grensstad en namen het materieel mee naar Belgrado. Daar bleef het bij in het jaar van de Macedonische onafhankelijkheid (1991).

Van het huidige geweld in Macedonië begrijpt de burgemeester dan ook weinig. Voor de eisen van de Albanezen heeft hij evenmin veel begrip. De Albanezen willen in de constitutie niet langer als minderheid worden aangeduid, wensen hoger onderwijs in eigen taal en eisen meer banen bij de overheid.

De Albanezen, zegt burgemeester Vrškovski en zijn gezicht wordt strakker, zijn nu eenmaal een minderheid. ,,Bitola telt ruim tweeduizend Albanezen op een bevolking van tachtigduizend mensen. Dat is toch een minderheid?'' Bovendien is de directeur van het postkantoor Albanees, evenals de wethouder van Financiën en Sociale Zaken. Met die ondervertegenwoordiging in het openbaar bestuur valt het best mee.

Over het gebrekkige onderwijs aan Albanezen zegt Vrškovski: ,,Alle leerlingen moeten een test doen om te worden toegelaten tot de middelbare school. De Albanezen hoeven al minder vragen goed te hebben dan de andere leerlingen. En nog halen ze de test niet.'' De Albanezen, wil hij maar zeggen, zijn gewoon dom.

Vroeger ging iedereen met elkaar om, zegt ook Niko Popnikola. Hij is een Vlach en cultureel activist. ,,We hebben veel gemengde huwelijken in Bitola.'' Maar zo gemengd zijn die huwelijken ook weer niet. Vlachen trouwen met Macedoniërs, net als Niko Popnikola deed. Turken trouwen met Albanezen. Christenen met christenen, moslims met moslims. Zo gaat dat al honderden jaren in Bitola.

We hadden het altijd goed met elkaar, menen ook Kire's vriend Dejan Stalevski en winkeleigenaar Sinani Qazim. Maar eigenlijk hadden ze niets met elkaar te maken. Want Dejan had geen Albanese vrienden. ,,Wel Turkse, geen Albanese.'' En Sinani heeft altijd een zekere afstand tot de Slavische Macedoniërs in de stad bewaard. ,,Ik bemoei me met mijn eigen zaken, zij bemoeien zich met hun zaken.'' Dat leek te werken in Bitola.

Achteraf gezien broeide het al langer in de stad. Maar de burgemeester doet de voorvallen af als incidenten. De bekladding van de joodse begraafplaats is zo'n voorbeeld. Begin dit jaar werden de graven ondergekalkt met hakenkruizen en het skinhead-teken. Al snel werden de daders gepakt. Ze hadden foto's van zichzelf en hun `heldendaad' gemaakt. Toen de eigenaar van de fotowinkel de negatieven zag, belde hij direct de politie. Het ging om vijf skinheads met een strafblad.

Maar het incident staat niet op zichzelf. Tijdens de rellen werden Albanese winkels beklad met hakenkruizen. Even later stond een Davidster op de moskee geschilderd, met daaronder drie keer het cijfer zes, het christelijke getal voor de duivel. ,,Kristallnacht'', oordeelde staatssecretaris Muarem Nexhipi en andere Albanese politieke leiders over de uitbarsting van geweld. De verwijzing naar de georganiseerde pogrom is wellicht overdreven, maar de relschoppers willen wel degelijk refereren aan de jodenvervolging in nazi-Duitsland.

De Albanese klas is een ander voorbeeld. Vorig jaar wilden de Albanezen een aparte klas voor hun leerlingen op de middelbare school van Bitola inrichten. De klas zou dertig leerlingen tellen. ,,De beste scholieren uit Bitola en omgeving'', meent Nexhipi. Het ministerie van Onderwijs had volgens hem al toestemming gegeven voor het experiment.

Maar op de dag van de aanmeldingen ging het mis. Slavische leraren, leerlingen en burgers kwamen in opstand. Eerst hielden ze handtekeningenacties en demonstraties, later spoten ze graffiti op de muren van de stad. ,,We werden letterlijk de gaskamers in gewenst'', aldus Nexhipi. Zo werd de Albanese klas in Bitola tot een parlementair probleem in Skopje. Het ministerie trok zich ijlings terug. En de klas? Die kwam er nooit.

Stille zuivering

De kift van de Macedoniërs, zeggen de Albanezen, stamt uit het verre verleden. Bitola (onder Albanezen heet de stad Monastir) kent een rijke historie. Een groot deel van die historie is Albanees. In 1830 werden vijfhonderd opstandige Albanese beys, invloedrijke moslimfamilies, verraden en afgeslacht door de Turkse overheersers in Bitola. In 1908 werd het Albanese alfabet hier gestandaardiseerd. Vanaf dat moment gebruikten de Albanezen het Latijnse schrift. Even later werden de eerste Albanese uitgeverijen opgericht, ook in Bitola. Daardoor zijn alle Albanezen, waar ook ter wereld, emotioneel verbonden met de zuidelijke grensstad.

Dat zou de Macedoniërs niet zinnen. ,,Ze hebben alles geprobeerd om ons te verdrijven'', beweert Nexhipi. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisden duizenden Albanezen naar Turkije, weggepest wegens hun `verraderlijke' rol tijdens de oorlog. Daarna kwam, in de woorden van de staatssecretaris, de stille zuivering. Eerst kregen de Albanezen visa voor Australië en Amerika. ,,Dat ging heel makkelijk.'' Later vertrokken ze als gastarbeider naar Zwitserland en Duitsland. ,,En nu proberen de Macedoniërs ons met geweld uit onze huizen en winkels te verdrijven.''

Bitola is pas in de jaren tachtig extreem geworden, zeggen de Macedoniërs op hun beurt. Na de dood van de communistische leider Tito in 1980 begonnen de Albanezen in Kosovo te morren over hun status. Kosovo was een autonome provincie binnen de republiek Servië, maar het wilde een deelrepubliek worden, net als Macedonië.

Die wens verpestte de sfeer in Bitola, met name tussen de Serviërs en de Albanezen. In Bitola woonden grote groepen Serviërs. In de grensstad was een grote basis van het Joegoslavische leger gevestigd. Bij de opsplitsing van Joegoslavië begin jaren negentig trok het bewind in Belgrado de troepen en het militaire materieel terug naar Servië. Een aantal Servische officieren bleef echter achter in Bitola. En met hen bleef de haat tegen de Albanezen, zeggen de Albanezen zelf.

,,Bitola voelt zich buitengesloten'', zegt een inwoonster van de Macedonische hoofdstad Skopje. Ze groeide op in Bitola. Ooit was Bitola een belangrijke stad. Bij de Ilinden-opstand van 1903 probeerden 25.000 Slavische Macedoniërs de Turkse overheersers uit Bitola te verdrijven. Dat mislukte jammerlijk. Maar negen jaar later, tijdens de Eerste Balkanoorlog, dwongen Serviërs de Ottomaanse strijdkrachten alsnog tot capitulatie in de `Slag Om Bitola'. Die betekende het einde van de Ottomaanse aanwezigheid in Macedonië.

Nu valt Bitola bijna van de rand van het land. ,,We voelen ons meer Grieks dan Macedonisch'', vertelt de vrouw in Skopje. De Macedonische hoofdstad Skopje is drie uur gaans, de Griekse havenstad Thessaloniki ligt nog geen half uur rijden verderop. Toch gaan de inwoners van Bitola nauwelijks naar Thessaloniki. Na de onafhankelijkheid verscherpten de Griekse autoriteiten de visumplicht voor Macedonische staatsburgers. Sindsdien krijgen de Macedoniërs mondjesmaat toestemming om naar het buurland te reizen. In Bitola voelen ze zich daardoor nog meer achtergesteld.

De achtergebleven Servische officieren spelen een onopgehelderde rol in het geweld dat Bitola heeft getroffen. Muarem Nexhipi en vele andere Albanezen zijn ervan overtuigd dat de officieren dreigbrieven naar de media hebben gestuurd. Daarin worden de Albanezen in Bitola opgeroepen de stad te verlaten. Maar de Macedoniërs wijzen er op dat de Servische officieren inmiddels zijn gepensioneerd. ,,Ze kunnen geen stap zonder hun stok verzetten'', zegt een van hen gekscherend.

Toch ontkent burgemeester Vrškovski niet dat de rellen ,,georganiseerd'' zijn. Hij schrikt van zijn eigen woorden en wil er prompt ,,niets'' meer over zeggen. Staatssecretaris Nexhipi wil dat wel. ,,De politie stond er bij en keek er naar. Ze hielp in sommige gevallen de vernielers en de plunderaars. Ze moet haar orders vanuit het hoofdkwartier in Skopje hebben gekregen.'' Namen durft hij echter niet te noemen. En zo blijft het bij de zoveelste Balkan-samenzwering.

Viltstift

Of is er toch sprake van een organisatie? Sinani Qazim en andere winkeliers hebben de nacht na de rellen een brief in hun vernielde panden gevonden. Sinani's broer trekt vol verontwaardiging het papier uit zijn zak en leest de met viltstift geschreven tekst voor: `Willen jullie leven, dan moeten jullie en jullie gezinnen oprotten. Onze organisatie wil geen terroristen en verwende mensen die de terroristen financieren om onze kinderen te vermoorden. Dit is een organisatie van veiligheid en vrede voor Macedonië. Ze onderneemt onmiddellijk actie als jullie de winkels heropenen en verder werken. Jullie zullen de opstand van Macedonië zien.'

Het dreigement heeft zijn uitwerking niet gemist. Sinani is met de hele familie naar Kamenjane vertrokken, het dorp dat zijn opa veertig jaar geleden verliet. Natuurlijk keren ze ooit terug naar Bitola, zeggen de broers. Hun huizen, hun winkels, hun leven bevinden zich in die stad. Maar de zogenaamde harmonieuze samenleving van de burgemeester heeft een flinke knauw gekregen – niet alleen in Bitola, maar ook in de rest van Macedonië.

De tweespalt in Macedonië groeit. Iedere dag komen de Macedoniërs en de Albanezen meer tegenover elkaar te staan. De politiek is niet in staat de burgers bij elkaar te brengen. Sterker, de regering van nationale eenheid, met daarin Macedonische en Albanese partijen, ruziet alleen maar. In Skopje lopen inmiddels gewapende burgerwachten rond en de politie voorziet reservisten van uniformen en wapens.

Vanaf de zijlijn roept de internationale gemeenschap op tot een dialoog. De buitenland-gezant van de Europese Unie, Javier Solana, is bijna dagelijks op bezoek in Skopje. De ene keer veroordeelt hij de hinderlagen van de rebellen, de andere keer roept hij het leger en de politie op tot terughoudendheid in hun optreden tegen de rebellen.

Terughoudendheid – het betekende in Bitola dat de politie helemaal niets deed. Hun massale afwezigheid tijdens de rellen geeft te denken. ,,Ik heb de politie en de bevolking niet in de hand'', zegt burgemeester Vrškovski op de ochtend van het vraaggesprek. Hij is bezorgd. De afgelopen nacht zijn opnieuw inwoners van Bitola in een hinderlaag van de Albanese rebellen gelopen. Deze keer gaat het om soldaten. Vrškovski ziet de avond angstig tegemoet. Maar hij kan volgens eigen zeggen weinig doen. ,,Ik heb de mensen opgeroepen geen brand meer te stichten bij de Albanezen. We moeten dit oplossen door met elkaar te praten. Wat kan ik verder doen?''

De rampspoed kondigt zich aan in de vorm van een demonstratie van toeterende taxichauffeurs. Een van de vermoorde soldaten was de broer van de eigenaar van het taxibedrijf. In paniek stelt het stadsbestuur aan het eind van de middag een avondklok in; om tien uur moeten de straten van Bitola leeg zijn.

Voor de relschoppers betekent de avondklok niets meer dan een kleine herziening van hun plannen. ,,We beginnen gewoon eerder'', verklaart een van hen. Om zeven uur paraderen grote groepen jongens in de hoofdstraat van Bitola, een met stenen geplaveide winkelstraat. Om acht uur gaat de eerste winkel in de brand.

Twee brandweerwagens rukken uit met gillende sirenes, maar de brandweerlieden kunnen het werk niet aan. Honderden jongeren trekken gewapend met stokken en kettingen door de stad. Winkeliers sluiten haastig hun winkels. Een enkeling probeert zijn voorraad in veiligheid te brengen en rent weg, de armen vol jurken en colberts. Even later worden hun winkels onder luid gejuich in brand gestoken.

Ook het huis van Nexhipi gaat deels in vlammen op. Het is de enige keer dat de politie zich laat zien in de twee uur durende chaos. De organisatie voor de rechten van de mens Human Rights Watch zal enkele dagen later het optreden van de politie hekelen. Die deed niets, en ten minste één agent heeft actief deelgenomen aan de vernielingen, aldus de organisatie.

De Albanezen zijn bij iedere gewonde soldaat bang dat hij uit Bitola afkomstig is, had staatssecretaris Nexhipi een dag voor de nieuwe rellen gezegd. ,,Het geweld kan ieder moment opnieuw losbarsten.'' De staatssecretaris heeft niet lang hoeven wachten.