Knersende kiezen

Opbeetplaat, massage, oefeningen en medicijnen. Dat zijn enkele mogelijkheden om het tandenknarsen tijdens de slaap te verminderen.

Tandenknarsen en kaakklemmen, in vaktermen bruxisme, is een bekend maar moeilijk te begrijpen fenomeen. Tussen 6 en 20 procent van de bevolking zegt er last van te hebben, met name jonge kinderen en vrouwen. Het veroorzaakt op den duur gebitsslijtage dat lastig door tandartsen is te herstellen, maar ook letsel aan het tandvlees, het kaakbot en het kaakgewricht. Het kan soms echtgenoten tot wanhoop brengen wanneer hun slapende partner aanhoudend knarsende gebitsgeluiden produceert. Sommigen, zoals in vroeger tijden de evangelist Mattheüs, brachten het verschijnsel in verband met stress of de aanwezigheid van heftige emoties. In het Nieuwe Testament wordt door hem vastgesteld dat de engelen de zondaars ``in de vurige oven zullen werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars''. Onderzoek uit de afgelopen twee decennia wijst echter uit dat er, naast deze bijbelse invulling van het verschijnsel, meer verklaringen voor het controversiële verschijnsel zijn.

Zo onderscheidt men tegenwoordig in de literatuur twee groepen factoren. Aan de ene kant zouden vooral afwijkingen in het hoofd-halsgebied van ons skelet en de oppervlakten van de kiezen een rol spelen, waardoor de activiteit van kauwspieren in dit gebied ongunstig wordt beïnvloed. Die verklaring is echter moeilijk wetenschappelijk aan te tonen.

Waarschijnlijker is dat pathofysiologische factoren een rol spelen bij het optreden van bruxisme. Hier wordt onder meer een breed scala van stoornissen en gewoonten genoemd die te maken hebben met de functie van ons centrale zenuwstelsel. Soms betreft het aandoeningen die te maken hebben met de fysiologie van de slaap. Met name als het gaat om de zogenoemde ontwaakrespons, waarbij de slaper aan het einde van de slaapperiode, in een lichter slaapstadium terechtkomt. De nauwkeurige observator kan bij zijn ontwakende partner vaststellen dat de ademhaling verandert en de spieractiviteit toeneemt. Recent onderzoek wijst uit dat proefpersonen in slaaponderzoek bij het ontwaken veelal sterk met hun kiezen knarsten en onwillekeurige beenbewegingen maakten. Bruxisme zou dus verband kunnen houden met een groep van slaapstoornissen waaronder bijvoorbeeld ook thuishoren het krijgen van nachtmerries en slaapwandelen.

Ander onderzoek wijst uit dat ook veranderingen in de neurotransmitterhuishouding een rol kunnen spelen. Het gaat dan om lichaamseigen, chemische substanties, zoals dopamine, die in ons centrale zenuwstelsel impulsen van de ene zenuwcel op de andere overdragen. Wanneer dit proces wordt verstoord, kunnen bewegingsstoornissen ontstaan zoals men die ziet bij mensen die lijden aan de ziekte van Parkinson. Zo bleek dat bruxisme kon worden opgewekt wanneer mensen langdurig verschillende dopaminerge farmaca kregen toegediend. Anderzijds kan een kortdurende toediening van stoffen, die de invloed van dopamine tegengaan, tandenknarsen onderdrukken. Interessant is dat recente publicaties uitwijzen dat tandengeknars wordt bevorderd door het gebruik van drugs, zoals het amfetamineachtig preparaat XTC, ook wel `partypil' genoemd, die de dopamineconcentratie in het lichaam verhoogt. Bij fervente ecstasy-gebruikers ziet men immers nogal eens overmatige gebitsslijtage.

Stress

Andere schadelijke gewoonten, zoals het roken van sigaretten, zijn eveneens in verband gebracht met het optreden van tandenknarsen en kaakklemmen. Nicotine verhoogt de centrale dopaminerge activiteit, wat mogelijk verklaart waarom bruxisme bij rokers bijna twee maal zo vaak voorkomt als bij niet-rokers. Ook het gebruik van alcohol en medicijnen, waaronder de bètablokker propanol, wordt meermalen met het verschijnsel in verband gebracht. Erfelijke factoren schijnen ook een rol te spelen. Tenslotte zou het fenomeen ook onderdeel kunnen zijn van het ziektepatroon van mensen die lijden aan afwijkingen met een neurologische en psychiatrische achtergrond. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn bij mensen die veel stress hebben en emotioneel uit balans zijn.

Een en ander overziend luidt de voorzichtige conclusie dat een juiste diagnose het best is te stellen met behulp van uitgebreide technische ondersteuning van een slaaplaboratorium. De oorzaak van het fenomeen moet dan wel worden gezocht in het centrale zenuwstelsel, maar het probleem is dat de symptomen zich vooral aan de buitenkant van het lichaam manifesteren, in het bijzonder in het hoofd-halsgebied. Deze vaststelling maakt het ingewikkeld een passende therapie te vinden.

Opbeetplaat

Gezien de multifactoriële etiologie van het verschijnsel ligt het voor de hand bij de behandeling verschillende aangrijpingspunten te kiezen. Een goede anamnese, waarbij ook wordt ingegaan op psychologische aspecten, blijkt zinvol. Het aanbrengen van een opbeetplaat, een soort gebitsbeschermer die 's nachts wordt gedragen, kan de pijn in het kaakgewricht en verdere gebitsslijtage verminderen. Ook een fysiotherapeutische behandeling blijkt nuttig, met name als men met massage en oefeningen pijn in de kauwspieren wil tegengaan. Wanneer specialisten farmacologische behandelingen willen toepassen, die vooral invloed hebben op het centrale systeem, lijken medicijnen zoals valium en neurotransmitters voor een korte tijdsperiode effectief.

Over de gehele wereld wordt intensief onderzoek gedaan naar het verschijnsel, waarbij vooral ook Nederlandse en Belgische onderzoekscentra nauw samenwerken en veel op dit gebied publiceren. Verwacht kan worden dat binnen tien jaar meer therapieën zijn ontwikkeld, die beter zijn gericht op de specifieke problematiek van mensen die `tandenknarsen van spijt en pijn', zoals Van Dale het nare verschijnsel omschrijft.

Met dank aan dr. F. Lobbezoo, afdeling Orale Functieleer van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), voor de gegeven informatie.