Jan Hoet

Op zaterdag 2 juni werd de rust in mijn huiskamer verstoord door het geronk van twee vliegtuigjes, die banieren meetrokken met daarop: `Hoet kan denken dat 'ie God is. Maar zou God ook denken dat...?" Stuitend. Wat heb ik te maken met een mij volkomen onbekende Hoet, dat ik daarvoor thuis anderhalf uur in het vliegtuiglawaai moet zitten?

Even later trof ik in NRC Handelsblad het Hollands Dagboek aan, geschreven door ene Jan Hoet (Z, 2 juni), samensteller van de kunstmanifestatie Sonsbeek in het gelijknamige park. Hij bleek ruzie te hebben met Arnhemse ambtenaren: `Een nieuwe procedureslag annex zenuwoorlog kan worden ingezet. Deze zomer moet minstens in Sonsbeekpark alles wijken voor de kunst of mijn naam is niet Jan Hoet.' Dat heb ik gemerkt. Ik trof op een wandeling door het park twee mannen aan die in de helling bij de grote vijver de wortels van bomen weghakten om daar glinsterende stenen te kunnen plaatsen. Ze vertelden mij dat het kunst was. Sonsbeekpark als pretpark.

Maar dat de botsende ego's van Hoet en de Arnhemse ambtenaren elkaar op kosten van de burger en ten koste van het park, ook in de lucht bevechten, vind ik toch echt een brug te ver. Hebben ze dan niets geleerd van 1944?