IN CONTACT MET DE BUITENWERELD

Wie aan buitenschoolse activiteiten denkt, denkt vaak in de eerste plaats aan kinderopvang. Fout, vindt dr. Saskia van Oenen, verbonden aan het expertisepunt Brede School van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) in Utrecht. Buitenschoolse activiteiten kunnen volgens haar juist een enome meerwaarde hebben: dáár kan de link worden gelegd tussen de school en het echte leven. ``Leren dat alleen op school gebeurt is te theoretisch. De transfer met echte levenservaring ontbreekt.'

Van Oenen is projectleider van het project Brede School in Ontwikkeling en werkt mee aan het landelijk experiment met de verlengde schooldag. Onlangs verscheen onder redactie van haar en haar collega Froukje Hajer een bundel van zestien artikelen waarin een beeld wordt geschetst van wat er momenteel zoal voor verbindingen ontstaan tussen leren binnen en buiten school, op brede scholen en daarbuiten, zowel in het basis- als voortgezet onderwijs. En er gebeurt veel. De activiteiten lopen uiteen van muziek maken tot sporten en een echte winkel beginnen op school.

Wie met Van Oenen praat ziet uit een stortvloed van woorden en gebaren een waar luchtkasteel ontstaan van hoe leuk leren kan zijn voor kinderen. En voor docenten. ``Leren is zo breed, dat blijft niet beperkt tot binnen schooltijd en binnen de schoolmuren. Leren is identiteitsontwikkeling. Maar de huidige structuur van de school is zo dat leraren met hun onderwijs moeilijk de school uitkomen en buitenstaanders er niet makkelijk inkomen. Dat is een keurslijf dat het leren onnodig in de weg staat. De school is echt niet voor alles de ideale leeromgeving. Zo kun je alles vertellen over werken bij een bedrijf, maar in een stage leer je het pas echt. Voor betekenisvol leren moeten de school en de buitenwereld in elkaar overlopen.'

Maar hoe breng je dat luchtkasteel en de praktijk van alledag bij elkaar? ``Gewoon beginnen', is het antwoord van Van Oenen. ``Als je de pretentie hebt om in één klap de hele structuur te veranderen, loop je vast. Maar met de voorbeelden in het boek laten we zien dat er overal aanknopingspunten liggen.'

Volgens Van Oenen komen steeds meer docenten tot het besef dat leren niet ophoudt bij de schooldeur, en dat dus ook de functie van de school daar niet ophoudt. ``Ik hoor twee reacties', vertelt ze. ``Docenten die het programma al overladen vinden en docenten die deze ontwikkeling toejuichen.' Dat zijn volgens Van Oenen vaak docenten die zelf iets opstarten op school, een fotoclub runnen of een muziekband oprichten. ``Zij doen iets wat ze zelf ook leuk vinden en dat is essentieel. Voor al deze activiteiten geldt dat het een kwestie is van willen, niet van moeten.'

Maar Van Oenen staat meer voor ogen. ``Naast het orthodox leren binnen school en daarbuiten de vrije tijd zie ik `iets er tussen in'. Door vrijetijdsactiviteiten met iets meer structuur aan te bieden, bied je kinderen de mogelijkheid om hun eigen initiatieven te ontplooien maar ze daarbij ook nieuwe leerervaringen te laten opdoen.' De leraar die na school schaakles geeft biedt een aardige vrijetijdactiviteit, maar voor het échte leren is meer nodig. ``Alleen `leuk' is niet voldoende, dat is te vrijblijvend. Leerlingen moeten naar iets toe werken, iets dat ook voor anderen waardevol is. Dan creëer je ook een gevoel van verantwoordelijkheid bij hen. Een voorbeeld: de muziekschool binnen de schoolmuren halen is leuk, maar dan moet het wel iets verder gaan dan alleen piano en blokfluit. In ons boek beschrijven we initiatieven waarin in acht tot tien weken naar een presentatie wordt toegewerkt, een tentoonstelling of een optreden. Dan gaat het niet om zo mooi mogelijk op een instrument spelen, maar om lol te hebben in muziek die je samen echt op de planken kunt zetten.'

Om te voorkomen dat activiteiten in het luchtledige blijven hangen pleit Van Oenen voor het samenstellen van een portefeuille, waarin iemands leerervaringen worden opgenomen. Op alle gebied. Een curriculum vitae als het ware, waarin ook de knutselles een plekje krijgt. Maar als buitenschoolse leerervaringen daarin gaan meetellen kan dit ongelijkheid in de hand werken. Want wie na schooltijd het liefst thuis achter de computer kruipt of met zijn vriendjes op straat gaat spelen heeft een minder veelzijdige prestatielijst dan een `hobby-hopper' die van huis uit gestimuleerd is met uiteenlopende activiteiten kennis te maken. ``Klopt', zegt Van Oenen. Zij ziet het als de taak van de school om ongelijkheid te bestrijden. Daarom zou er meer gedaan moeten worden met oriëntatieruimte in het curriculum. Voor oriëntatie op buitenschoolse terreinen ziet Van Oenen drie speerpunten: vrijetijdsactiviteiten als kunst en sport, verkenning van de omgeving, zoals natuur en milieu en tot slot: arbeid.

``Binnen en buiten school leren is onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar het is ook zo omvattend dat ieder idee duizend vragen oproept', antwoordt Van Oenen op de vraag of opname van buitenschoolse activiteiten in het lesprogramma niet indruist tegen het principe van `doen wat je leuk vindt'. ``Je kunt niet één twee drie alles in praktijk te brengen. Maar één ding is hoe dan ook essentieel: reflectie. Op school word je nu alleen afgerekend op je schooltoetsprestatie, je cijfers. In het echte leven draait het ook om wat je activiteiten voor jezelf én anderen betekenen. Daar kun je leerlingen over aan het denken zetten. Niet in het luchtledige, maar al doende.'

Saskia van Oenen en Froukje Hajer: De school en het echte leven.

ISBN 90-5050-866-9. Te bestellen bij het NIZW, tel. 030-2306607.