Het publiek

De vraag is wat meer ontspanning geeft. Jeu de boule spelen of er naar kijken. In zo'n onthaast Frans dorpje, onder de platanen, op gepaste afstand van die vaak wat oudere mannen die de tijd doden met pétanque. Opperste concentratie, af en toe een opmerking van een tegenstander langs de kant. En de doffe plof van de metalen bal (boule) op wat vaak een mengsel van fijn grind en zand is, zo dicht mogelijk bij het zes tot acht meter verderop gelegen houten balletje.

Geen `sport' die zich zo gemakkelijk laat associëren met wijn en stokbrood. Uitgevonden in La Ciotat, een stadje in de buurt van Marseille, en daar voor het eerst gespeeld in 1908. Niet door een Fransman die Pétanque heette, maar door ene Jules le Noir. De naam is afkomstig van de werppositie. Het Provençaalse dialect pés tanqués (voeten bij elkaar) werd pétanque. Ooit mochten, zo wil de legende, verliezers het achterwerk kussen van een wulpse kelnerin, Fanny. Ze schijnen nog rond te lopen, verliezers die een prentje met een voorovergebogen Fanny kussen. Tot het einde van de Tweede Wereldoorlog werd pétanque alleen in het zuiden van Frankrijk gespeeld. Vanaf de boorden van de Middellandse Zee veroverde het spel de wereld. De komende tijd gaan de sets van zes met water gevulde, vrolijk gekleurde ballen – of de stalen exemplaren van de echte liefhebbers – weer mee in de caravan. Want een camping zonder jeu de boules is ondenkbaar.

Aflevering 35 van een serie over publiek.