`Het antwoord op het leven ligt begraven in traditie'

In geen twintig jaar was Leon Wieseltier in een synagoge geweest. Maar na de dood van zijn vader ontdekte de Amerikaanse journalist de kracht van het rituele joodse rouwgebed. In het boek `Kaddisj' doet hij verslag.

Als een van je geliefden sterft, word je weggehaald uit de gewone, normale wereld'', zegt Leon Wieseltier. ,,Van verdriet verander je bijna in een soort paria. Niet in de betekenis dat er op je wordt neergekeken, maar omdat iedereen ziet dat je zojuist een klap hebt gekregen die je anders maakt dan de mensen om je heen. Je leven is verstoord op een ongekende manier, waarvan je niet zeker weet of je ermee overweg kunt.''

De boomlange, witharige Wieseltier (New York, 1952) heeft het zelf ervaren. In 1996 overleed zijn vader en nam hij op orthodoxe wijze het traditionele joodse rouwjaar in acht. Op die manier organiseerde hij zijn rouw in de vorm van een eeuwenoud ritueel. Het kwam er op neer dat hij zijn normale leven opzij zette en elf maanden lang, drie keer per dag naar de synagoge ging om kaddisj te zeggen. Dat is het rituele gebed gebaseerd op de gedachte dat mensen direct na hun overlijden in het Gehenna belanden, het voorportaal van hemel en hel, waar hun ziel onder extreme temperaturen wordt gelouterd. Alleen dankzij het bidden van hun nabestaanden kunnen de doden voortijdig van de kwellingen in dit vagevuur worden verlost.

Het ritueel zou Wieseltiers hele leven op zijn kop zetten.

Wieseltier, die in de Verenigde Staten geldt als een invloedrijke intellectueel, werd als orthodoxe jood opgevoed en studeerde aan Harvard oude- en middeleeuws-joodse geschiedenis. Na zijn afstuderen stopte hij echter met het praktiseren van zijn religie. Hij kon de strenge wetten en regels van het jodendom niet combineren met zijn seculiere bestaan als literair redacteur van het progressieve opinieweekblad The New Republic in Washington. Wel bleef hij Hebreeuwse teksten bestuderen: die beschouwt hij als een filosofische leidraad voor het leven.

Het zeggen van de kaddisj in dat jaar na de dood van zijn vader ging Wieseltier niet gemakkelijk af. Hij was twintig jaar vrijwel niet naar een synagoge geweest en hield toch al niet zo van bidden. Ook was hij bang dat hij zijn emoties niet aan zou kunnen tijdens het gebed, dat in wezen één grote confrontatie was met zijn overleden vader. Daarom besloot hij tijdens de rouwperiode een boek te schrijven. Daarin doet hij verslag van zowel de verwerking van zijn verdriet en de rouw van zijn familieleden, als van wat hij over de kaddisj las in de rabbinale literatuur van de afgelopen drie millennia. Het boek, Kaddish, is een fascinerende intellectuele zoektocht geworden waarin Wieseltier essentiële vragen probeert te beantwoorden over begrippen als verlies, dood, religie, traditie, geschiedenis en vrijheid. Hij doet dat zoals in het jodendom al duizenden jaren gebruikelijk is: door een dialoog aan te gaan met de geschriften van de grote rabbijnen uit de joodse geschiedenis. Een mooier eerbetoon kon een overleden vader zich niet wensen, schreven vooraanstaande critici in de Amerikaanse pers.

,,De kaddisj was een schuld die ik moest inlossen aan mijn vader'', zegt hij bij een bezoek aan Nederland. ,,Mijn vader heeft, uit plichtsgevoel, altijd veel voor mij gedaan. Dit was nu een verplichting die ik ten opzichte van hem had. Maar het was ook een verplichting ten opzichte van mijn geloof. Ik wilde het ook transformeren tot een filosofisch zelfonderzoek en op die manier eer betuigen aan wat er in de loop van de joodse geschiedenis was gebeurd. Zo hield de kaddisj mijn gevoelens ten opzichte van mijn vader intact. Tegelijk werd ik in staat gesteld een aantal dingen uit te zoeken, zoals de betekenis van sterfelijkheid, van rouw, geschiedenis, martelaarschap, de relatie tussen ouders en hun kinderen, de juiste manier om religie te bestuderen.''

In de loop van de rouwperiode voor zijn vader raakte Wieseltier verslaafd aan het driemaaldaagse gebed en het schrijven van zijn boek. Het was dan ook een schok voor hem toen er opeens een eind aan kwam. ,,Het schrijven van het boek was een nederig makende ervaring. Tijdens de kaddisj voelde ik me heel erg klein. Veel van de dingen die ik in mijn leven had gedaan, deden er niet meer toe. Ik hield me met de realiteit van de dood en de traditie bezig en kon me nergens achter verschuilen. Soms waren er dagen dat ik gewoon stond te trillen van emotie.''

Persoonlijke afrekening

Merkwaardig is dat de vader van Wieseltier amper in zijn boek voorkomt, al voel je tussen de regels door dat er een behoorlijke spanning tussen vader en zoon bestond. ,,Ik wilde mijn persoonlijke afrekening met mijn vader buiten het boek houden. Het enige dat ik vertel is dat hij een overlevende van de holocaust was, dat er een zekere spanning tussen ons bestond, dat hij een moeilijke man was en dat hij in het ziekenhuis overleed. Ik wilde niet liegen en de mensen laten denken dat mijn boek het lieve ongecompliceerde verhaal was van een zoon die van zijn vader hield. Ik wilde laten blijken dat ik een zoon ben zoals iedere andere zoon. Ik heb het boek niet geschreven omdat de verhouding met mijn vader zogenaamd perfect was. Wat ik van mijn vader vind, zit in mijn hart.''

In Kaddish onderstreept Wieseltier voortdurend dat hij niet-religieus is, in de zin dat hij niet dagelijks naar de synagoge gaat. ,,Scherpzinnige lezers zijn mijn twijfels opgevallen. Veel joden in Amerika raakten opgewonden bij de gedachte dat iemand zoals ik terugkeerde naar de synagoge. Maar ik heb het boek alleen geschreven omdat ik geobsedeerd ben door de vraag of al die metafysische voorstellingen die ik aan de orde stel, waar zijn.''

Het jodendom is voor Wieseltier niet in de eerste plaats een religie, maar vooral een traditie. Een traditie waarvan hij door zijn orthodoxe opvoeding deel uitmaakt en waarvan hij beseft dat hij zich er nooit van zal kunnen losmaken. ,,Ik ben zielsgelukkig als ik me in een rustige kamer kan terugtrekken met een middeleeuwse Hebreeuwse tekst, alleen al wegens het feit dat ik deel uitmaak van deze grote traditie'', zegt hij. ,,Het is alsof ik de beheerder ben van de joodse beschaving. Ik heb niet alleen de verantwoordelijkheid om haar te kennen, maar ook om iets aan haar toe te voegen en haar te beschermen.

,,Dat komt voor een deel door de ervaringen van mijn ouders, die in 1947 uit Polen naar New York kwamen. Ze zijn overlevenden van de holocaust. Ik ben opgevoed met het bewustzijn hoe fragiel die Oost-Europese joodse cultuur is en hoeveel ervan vernietigd is. Het heeft een paradoxaal gevoel in me achtergelaten, een gevoel van breekbaarheid, maar ook van duurzaamheid. Ik wist de hele tijd dat er zoveel was vernietigd – mijn grootouders, mijn tantes en ooms. Het gaf me het gevoel dat ook al het andere vernietigd had kunnen worden. Anderzijds onderstreepten mijn ouders altijd dat zíj het hadden overleefd. Ze stuurden me naar een joodse school waar ik dezelfde joodse boeken bestudeerde die ik zou hebben bestudeerd als er niets gebeurd zou zijn. En daardoor kreeg ik het besef dat ondanks alle pogingen om die beschaving te vernietigen, zij niet echt vernietigd was, omdat zij niet vernietigd kón worden. Daarom ben ik ook zo doordrongen geraakt van de lange weg die een oude Hebreeuwse tekst heeft moeten afleggen om mij te bereiken.''

Intellectuele maatstaf

,,Tijdens mijn eigen intellectuele ontwikkeling ben ik al vroeg begonnen met het bestuderen van de dingen die in mijn boek aan de orde komen. Iedereen formuleert zijn gedachten over de wereld tenslotte in termen die hij ergens van heeft geërfd. Niemand begint zo maar bij nul. Zo heb ík die Hebreeuwse teksten. Ze stellen je in de gelegenheid tot nadenken. Vooral als je voelt dat je iets moet verhelderen of als je vindt dat je leven te snel of te oppervlakkig is. Want het is mogelijk voor een volwassen geest om een soort basis te scheppen over wat belangrijk is en wat niet, over welke problemen er echt toe doen en welke onbelangrijk zijn. Zo heeft de kaddisj bepaalde dingen voor me verhelderd en heeft het me een intellectuele maatstaf gegeven om in de toekomst nieuwe beproevingen aan te kunnen.

,,Ik beschouw religie als het eerste huis van de filosofie. Nu de professionele filosofen zo volledig onverschillig zijn geworden ten opzichte van de klassieke vraagstukken over dood en leven, zijn de moskee, de kerk en de synagoge weer van essentieel belang geworden. De antwoorden op die vraagstukken liggen begraven in die tradities.''

Over de beleving van het jodendom binnen de Amerikaans-joodse gemeenschap is Wieseltier buitengewoon kritisch. Er bestaat volgens hem geen enkel besef van het belang van de joodse traditie, die er tot zijn ergernis zienderogen wegebt. ,,Het is shockerend'', zegt hij. ,,De voornaamste reden daarvoor is `ongeletterdheid'. De Amerikaans-joodse gemeenschap is de eerste grote gemeenschap in de diaspora die meent dat zij de joodse traditie niet in het Hebreeuws hoeft te kennen, te ontwikkelen en over te dragen. En dat terwijl het een traditie is die nu eenmaal niet in het Engels, Duits of Frans kan worden overgedragen. Het is een grote illusie dat een jood aan zijn religieuze verplichtingen kan voldoen zonder Hebreeuws te kennen. Als ze echt serieus zijn, moeten ze de moeite nemen zich die taal eigen te maken, zoals ze ook met een computer hebben leren omgaan of tennis hebben leren spelen.''

Iemand die zijn joodse roots ontdekt, moet zich volgens Wieseltier niet alleen door zijn emoties laten leiden, maar ook over een grote kennis van het jodendom beschikken. ,,Als je verliefd wordt op een vrouw, doe je alles om die vrouw helemaal te leren kennen. Zoiets doe je ook bij je favoriete voetbalelftal of honkbalteam. In Amerika en West-Europa leven veel joden die er trots op zijn dat ze joods zijn, maar die de religie niet serieus nemen. Barmitzwa doen (de joodse belijdenis voor jongens van dertien) en kaddisj zeggen voor een overleden ouder, omdat dat er nu eenmaal bijhoort, of eisen dat je dochter met een joodse man trouwt ook al heb je haar daar nooit een reden voor gegeven, dat is allemaal onzin. Ik zie daar de spirituele waarde niet van in.''

Jachtig leven

Een van Wieseltiers belangrijkste redenen voor het bestuderen van het jodendom is dat het tegenwicht biedt aan het jachtige leven van tegenwoordig. ,,De enorme snelheid van onze samenleving is funest voor zowel het echte denken als voor de menselijke interactie. Omdat religie veel mensen niet meer kan helpen bij het oplossen van essentiële levensvragen, richten we ons bovendien in toenemende mate op de exacte wetenschappen om zekerheid te verkrijgen over de dingen die ons in het leven overkomen. Maar die exacte wetenschappen kunnen alleen de fysieke aspecten van dat leven verklaren. Voor het verklaren van metafysische begrippen als `hart', `ziel' en `geest' heb je niets aan een materialistische benaderingswijze.

,,Ik schaam me niet om het over `ziel' te hebben. Het is de hoogst mogelijke omschrijving van de menselijke persoonlijkheid, dat deel van de mens dat niet kan worden herleid tot de dierlijke aard van de mens. De ziel is het deel van de mens dat in staat is tot goed en kwaad of tot zelfbewust denken. Ik hou van het woord `ziel' omdat het betrekking heeft op spirituele implicaties van de menselijke geest. In plaats van `ziel' kun je ook van `geest' spreken, maar veel mensen die dat doen accepteren niet dat ziel verbonden is met spiritualiteit. Ik begrijp dan ook niet dat rationalistische mensen niets te maken willen hebben met spirituele vraagstukken, want als je gelooft in het bestaan van de rede, dan betekent dat toch ook dat je gelooft in het bestaan van onzichtbare waarheden. Dat we niet met dergelijke dingen bezig zijn, komt door de technologisering van de samenleving. Voeg daarbij de huidige opwinding over de genetica en de economie, en je begrijpt waarom voor alles alleen rationele verklaringen worden gezocht.''

Om de mens weer dichter bij zichzelf te kunnen brengen, is volgens Wieseltier een revolutie nodig die ervoor zorgt dat de samenleving in een lagere versnelling belandt en alles weer wat kleinschaliger en meer bevatbaar wordt. ,,De kaddisj vertraagde mijn levenstempo. Dagelijks stopte ik om één uur 's middags met mijn werk om naar sjoel te gaan. Als de zon een paar uur later onderging, zat ik er weer. Het was eigenlijk heel erg prettig. Eén van de dingen die mijn vrouw en ik vervolgens hebben gedaan, is dat we thuis weer sabbat vieren. Deels uit het gevoel dat als de traditie ons dit asiel, dit heiligdom, biedt om even te kunnen ontsnappen aan de dagelijkse krankzinnigheid, we er ook gebruik van moeten maken. Niet alleen worden onze krachten non-stop versnipperd, we worden er ook nog om bewonderd. Het is een soort eclecticisme dat van het leven een uitdragerij maakt. Je harkt van alles bij elkaar zonder dat er enige samenhang bestaat. Toen mijn vader overleed werd ik ineens gedwongen mezelf weer bijeen te rapen. Ik belandde in een andere wereld, een prachtige ervaring.

,,Iedereen moet proberen te leven op een serieuze, spirituele en intellectuele manier. Het gaat er niet om hoe iemand dat doet. Bovendien heeft die manier van leven niets te maken met diepe emoties die je kunt hebben als je naar Mahler luistert of als je aangeslagen uit de bioscoop komt na het zien van een film als Saving Private Ryan. Het is geen emotionele ervaring, je moet het ritualiseren. En dat kun je doen door te studeren, maar ook door aan yoga te doen, te schrijven, te schilderen of muziek te maken. Je kunt niet blijven afwachten tot het vanzelf gaat.''

`Kaddish', Uitg. Alfred A. Knopf, 585 blz., $27,50. `Kaddisj', De Bezige Bij, 683 blz., ƒ79,50.

De lezing `Het geheim van de dood', die Wieseltier in Tilburg op de Nexus- conferentie uitsprak, zal verschijnen in `Nexus' nummer 29.