God 5

Het zal een deel van de NRC-lezers hebben verbaasd dat de hooggeleerde P. Borst, uitgerekend met Pinksteren als `erfelijk belast' atheïst zijn monomane beginselen meende te moeten etaleren. Op het betoog zelf zal ik niet verder ingaan, dat heeft een dusdanig hoog welles-nietes gehalte dat er geen beginnen aan is. Maar ik maak een uitzondering voor zijn stelling: `Voor veel wonderbaarlijke zaken om ons heen, zoals het ontstaan van het heelal of van het leven op aarde, beschikken wij nu over plausibele verklaringen'.

Inderdaad. Maar die plausibele verklaringen berusten op wetenschappelijke ontdekkingen, zowel in de richting van `het oneindig kleine' als in die van `het oneindig grote'. En iets `ontdekken' wil zeggen: iets waarnemen dat er altijd al was, maar dat tot dan toe, om welke reden of door welke oorzaak dan ook, aan ons waarnemingsvermogen werd onttrokken.

Die ontdekkingen op zichzelf zijn zeker belangwekkend, maar wat mij, inmiddels tachtigjarige, altijd weer heeft verbaasd, is dat wetenschappers doorgaans de indruk wekken het nieuwe fenomeen zelf te hebben uitgevonden. Zij lijken zich nooit af te vragen wie de ontwerper is van de adembenemende legpuzzel van het heelal, waaraan zij, door het ontdekken ervan, weer een, tot dan toe ontbrekend, stukje konden toevoegen.