Geweld tegen de eigen bevolking

Volgens een recente telling zijn in de twintigste eeuw zo'n honderd miljoen mensen omgekomen bij (burger)oorlogen. Geweld lijkt inherent aan het menselijk bestaan, maar hoe kan het dat sommige samenlevingen toch betrekkelijk vreedzaam zijn? Dat hangt nauw samen met de vorming en het verval van staten, naties en nationalismen, zo betoogt socioloog Ton Zwaan in zijn dissertatie Civilisering en decivilisering, waarop hij kortgeleden promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam.

Zwaan verwerpt fatalistische of sociobiologische voorstellingen als zouden etnische conflicten en vervolgingen van minderheden uitsluitend te wijten zijn aan de menselijke natuur of aangeboren agressiviteit. Zwaan: `Al dat politieke geweld heeft te maken met staten.' En daarmee is de historisch-sociologische toon gezet: in vijf case-studies maakt Zwaan vooral gebruik van het perspectief van Norbert Elias.

In diens hoofdwerk Über den Prozeß der Zivilisation (1939) gaat het om de samenhang tussen staatsvorming, pacificering en civilisering sinds de Renaissance. Stabiele staten hebben een geweldsmonopolie, en met dat `gekazerneerde' geweld wordt de concurrentie tussen mensen en groepen beperkt. Naarmate zulke condities voortduren, en de wederzijdse afhankelijkheid bij een toenemende complexiteit van de maatschappij toeneemt, zullen veranderingen optreden in de gedragsstandaarden en in de psychische habitus van mensen. Op lange termijn bezien neigt zo'n proces naar meer civilisering, aldus Elias.

Maar hoe verhoudt zich dat proces tot recente gruweldaden en andere `barbarij'? Tonen die niet het failliet van de civilisatietheorie aan? Ook Elias zelf heeft de `ineenstorting van de beschaving' (in casu de jodenvervolging) ingepast in zijn werk, maar toch is het volgens Zwaan van belang de theorie verder aan te vullen en uit te breiden. In navolging van het `model van etnisch conflict' van promotor Abram de Swaan spreekt hij van `decivilisering'. In drie case-studies onderzoekt hij de massamoord op Armeniërs in het Ottomaans-Turkse rijk, de Holocaust door de nazi's en de recente genocide in het voormalig Joegoslavië. Ze getuigen van perioden waarin zo'n telkens relatief kortstondige fase van decivilisering de overhand krijgt op geweldsbeheersing en `beschaafde' gedragsstandaarden.

Elias' theorie is daarmee niet weerlegd, en dat kan ook niet gezien het `globale' karakter ervan, aldus Zwaan. Wel pleit hij voor nuancering; Zwaan zwakt de veronderstelde continuïteit van civilisatieprocessen af, pleit voor meer `specifieke redeneringen' (per geval de staatswording bezien) en benadrukt de grote plaats van toeval in processen van civilisering, meer nog dan in Elias' theorie gebeurt.

Het verband tussen staatsvorming en civilisering is dus allerminst eenvoudig, benadrukt Zwaan. Ieder proces van staatsvorming verloopt onder specifieke condities. De pacificatie van Nederland bijvoorbeeld, waaraan een apart hoofdstuk is gewijd, is niet toe te schrijven aan de wording van een gecentraliseerde staat, maar aan burgerlijke elites die gedurende enkele eeuwen voorzagen in een gedecentraliseerde staatsorganisatie. Een ander probleem schuilt in nationalisme, dat op gespannen voet staat met civilisering; nationalisme kan zowel een `binnenstatelijk' sentiment zijn als een naar buiten gericht ressentiment.

De complexe verhouding tussen staatsvorming en toeneming van `civiel gedrag' komt echter het duidelijkst tot uitdrukking als geweld op grote schaal wordt gebruikt tegen delen van de eigen bevolking.

Zoals tegen de Armeniërs in het Ottomaans-Turkse rijk, een van Zwaans case-studies. Bij vervolgingen tussen 1894 en 1922 kwam circa zestig procent van de totale Armeense bevolking om het leven: zo'n anderhalf miljoen mensen. Dat geschiedde tijdens een serie moordpartijen tussen 1894 en 1896 en een massamoord rondom de stad Adana in 1909, maar de meeste slachtoffers vielen in 1915 en 1916. Het einde van het Ottomaanse rijk en de stichting van de Turkse Republiek in 1922 betekende het einde van de vervolgingen. Het Ottomaanse rijk was geen nationale samenleving, de integratie van bevolkingsgroepen was zeer gering. De sultan voerde een autocratisch bewind, waarbij alles was gericht op het handhaven van het verzwakte imperium. De aanval op de Armeniërs moest een vermeende revolutie te verijdelen, gevoed door hun achtergestelde positie. Maar in werkelijkheid, stelt Zwaan, was het een verwoede poging van de militaire elite tot behoud van macht en privileges. Van groot belang daarbij was een `projectieve fantasie' waarmee angst, afgunst en groepshaat werden aangewakkerd.

Tot op zekere hoogte, zo laat Zwaan zien, is de vervolging van Duitse joden vanaf 1933, de volgende `case', vergelijkbaar met die van de Armeniërs. Ook joden werden `apart' gezet en systematisch gepercipieerd als `bedreigend', en ook joden werden het slachtoffer van een vervolging door een staatsapparaat. Ofschoon het bij het `verklaren' van de Endlösung laveren is tussen `intentionalisme' (Hitlers malicieuze plan) en `functionalisme' (de relatief autonome opwaartse spiraal van radicalisering) is hier eveneens de combinatie van onbesuisd nationalisme en geweld aanwezig. In een aparte case-studie wijst Zwaan ook op de eeuwenlange Duitse nationale problematiek, die begon bij de ondergang van het Heilige Rooms-Duitse Rijk en via gestrande pogingen tot eenwording uitmondde in een onterende Eerste Wereldoorlog. Het groeiend potentieel aan wraak zocht het diepste punt in een reeds wijdverbreid antisemitisme.

Al vanaf de vorming van Joegoslavië (de laatste `case') in 1918, onder pressie van de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog, identificeerde de bevolking zich in zeer geringe mate met de staat; die voelde zich primair Serviër, Kroaat, Sloveen. Het latere communistische regime wist die sentimenten doeltreffend te taboeïseren, maar met het uiteenvallen van de staat vanaf midden jaren '80 kregen oude `volksgevoelens' weer vrij spel, die elkaar onderling versterkten. Vanaf zomer 1991 mondde de desintegratie, het verdwijnende geweldsmonopolie en de radicale polarisaties uit in etnische `zuiveringen' en massamoorden. Zeker tweehonderdduizend mensen kwamen om, twee miljoen raakten ontheemd.

Valt er van decivilisering te leren voor de toekomst? Zwaan: ``Vervolging en extreme etnische conflicten zijn noch voorbeschikt, noch onvermijdelijk, maar worden onder bepaalde omstandigheden begonnen door bepaalde mensen en op gang gehouden door doelbewust georganiseerd menselijk handelen.' Omdat er al snel sprake is van relatieve autonomie van dit proces, waardoor de machinerie door niemand afzonderlijk meer gestopt kan worden, is `preventie' van decivilisering bijna onmogelijk. Niettemin pleit Zwaan in zijn epiloog voor de vorming van een diplomatiek `early warning system' en de verdere verbreiding van democratie. Uiteindelijk helpt dus alleen méér civilisering.

Ton Zwaan: Civilisering en decivilisering. Studies over staatsvorming en geweld, nationalisme en vervolging. Uitgeverij Boom. Prijs: ƒ59,50.