Fatsoen en liefde gaan teloor in Europa

In cultureel opzicht lijkt Europa de jaren zestig ongeschonden te zijn doorgekomen. Geen sociale verdeeldheid zoals in Amerika. Toch moet Europa ervoor oppassen dat de toegenomen maatschappelijke en culturele vrijheid niet ontaardt in het ondermijnen van de menselijke waardigheid, vindt Mark Lilla.

Europa is ontkomen aan de culturele oorlogen die de Amerikaanse maatschappij hebben geteisterd, maar de soepele maatschappelijke overgang van het continent brengt zijn eigen gevaren met zich mee.

In tal van opzichten begon de culturele revolutie, die wij de jaren zestig noemen, in Nederland. In de straten van Amsterdam organiseerde in de vroege jaren zestig een onduidelijk en speels groepje anarchisten genaamd provo's een aantal `happenings', om de draak te steken met de hypocrisie van het burgermansleven en liberalisering te eisen van de wetgeving op het terrein van drugsgebruik en seksualiteit. De groepering viel binnen tien jaar weer uit elkaar, maar haar invloed is nog altijd voelbaar voor elke bezoeker aan die poppenhuisstad die de hasjlucht opsnuift en langs het neonlicht van de seksshops slentert.

Vooral voor Amerikaanse bezoekers is dat allemaal heel verwarrend. Het beeld dat wij hebben van het Europa uit de jaren zestig is dat van een continent te midden van een soort politieke revolutie, met het portret van Che Guevara op oude muren geverfd, terroristische bomaanslagen en afrekeningen en nu en dan een moord op een politiek leider of een topman uit het bedrijfsleven. De rellen op de Amerikaanse universiteiten, die algauw na de afzetting van Richard Nixon en de aftocht uit Vietnam weer ophielden, waren wel heel tam vergeleken bij de twintig jaar geweld en politieke onrust die in Europa tot halverwege de jaren tachtig voortduurden.

Maar cultureel lijkt Europa de jaren zestig ongeschonden te zijn doorgekomen, zonder diepe sociale verdeeldheid of het soort cultuuroorlogen dat de laatste tientallen jaren het Amerikaanse openbare leven heeft beheerst. Alle veranderingen die sinds de jaren zestig in de Amerikaanse samenleving hebben plaatsgevonden – op het terrein van seksualiteit, gezinsverband, drugsgebruik – hebben ook in Europa plaatsgevonden.

Toch is die overgang van het Europese leven verfijnder verlopen, en zonder dat er betogingen, rechtszaken en zelfhulpboeken aan te pas hoefden te komen. De Europese vrouwen zijn in groten getale toegetreden tot de arbeidsmarkt (zij het niet in elk land in dezelfde mate) en vinden over het algemeen gemakkelijker een evenwicht tussen gezin en carrière, dankzij de overheidssteun voor kinderopvang en royale verlofregelingen. Ze hebben die vooruitgang geboekt zonder militant feminisme, maar ook zonder hysterische angst voor het verval van het gezin op te roepen. Homoseksuelen bevinden zich tegenwoordig in een zeer tolerante omgeving zonder overdreven aanspraken op hun identiteit te hoeven maken of theatraal `uit de kast te komen'. En de onderwijsprogramma's, in de huidige Verenigde Staten het lakmoespapier van de maatschappelijke verandering, zijn in Europa niet zoveel veranderd, vanuit de zinnige veronderstelling dat de kennis die leerlingen moeten hebben voordat ze de wereld ingaan niet wezenlijk is veranderd.

Vanwaar die opvallende verschillen? Toen ik laatst in Europa was, liep ik 's middags door een park en viel me op hoeveel modern uitgedoste jongelui – neuspiercings, geverfd haar, legerschoenen – na de traditionele zondagse lunch aan de wandel waren met hun grootouders. Dat beeld biedt voor een deel het antwoord: ondanks de jaren zestig is Europa cultureel nog altijd conservatief. Strikt genomen zijn alle culturen conservatief, in de zin dat ze gewoonten bepalen die de raderen van het sociale leven smeren en die gewoonten overbrengen aan nieuwe leden van de samenleving. Maar ruimer opgevat kunnen culturen conservatiever worden genoemd naarmate ze veranderingen in houding en gedrag weten te vertragen en intussen af te zwakken, totdat die samen met ouder materiaal eenstemmig zijn verweven tot een ononderbroken weefsel.

De moderne Europese cultuur heeft altijd een plaats ingeruimd voor mensen die de heersende eenstemmigheid verwierpen – bohémiens, heiligen – omdat alles wel bijeen gehouden werd door de sterke centripetale kracht der gewoonte en er dus meer ruimte aan de randen was voor mensen die er niet in pasten. De jaren zestig stelden die eenstemmigheid ernstig op de proef, maar toch is het opvallend om te zien met hoeveel succes de nieuwe gewoonten inmiddels op de oude zijn geënt.

De Amerikaanse cultuur is niet conservatief maar democratisch. Gegeven hun sterke argwaan tegen overgeërfd gezag en hun vrijwel oneindige geloof in het recht van de eenling om zijn eigen lot te bepalen, hebben Amerikanen moeite met de aanvaarding van sociale gewoonten waarvan de herkomst onduidelijk is en ze het gezag nooit hebben erkend. Dat betekent niet dat Amerikanen zich altijd prettig voelen bij verscheidenheid, want we weten dat in de Amerikaanse geschiedenis perioden van verstikkend conformisme en moralisme zijn geweest. Het betekent wel dat Amerikanen culturele veranderingen zien als een principekwestie waarover een openbaar debat moet worden gevoerd, en zo'n debat is soms polariserend.

Amerikanen hebben in het buitenland de naam dat ze pragmatisch zijn, en op economisch en technisch terrein is dat misschien ook wel zo. Maar inzake grote politieke vraagstukken en vrijwel alle culturele thema's zijn Amerikanen meestal dogmatisch en star, want dan zien ze democratische beginselen op het spel staan. Daardoor komt het dat de Amerikaanse debatten van na de jaren zestig over abortus, feminisme, politieke identiteit en onderwijs zo bizar overkomen op Europeanen, want die hebben over dat soort zaken wel een mening maar vinden over het algemeen niet dat daar de democratie van afhangt.

Er zijn tekenen dat de cultuuroorlogen in de Verenigde Staten op hun eind lopen en dat ook wij binnenkort, net als Europa, de culturele revolutie van de jaren zestig zullen verwerken en in de Amerikaanse gewoonten en gebruiken zullen integreren. Dat stelt de Amerikaanse journalist David Brooks in zijn recente Bobos in Paradise, een boeiende studie van de `bourgeois bohémiens' (bobo's) die het culturele radicalisme van de jaren zestig hebben ingeruild voor het yuppiedom van de jaren tachtig en ondertussen het leven van de middenklasse hebben veranderd.

Toch zijn er, vreemd genoeg, ook tekenen dat tenminste enkele Europeanen zich meer gaan bekommeren om het culturele erfgoed van de jaren zestig, ondanks hun conservatieve koelbloedigheid. Een van de best verkochte boeken in Europa van de afgelopen tien jaar was Elementaire deeltjes van de Fransman Michel Houellebecq (1998), waarin een gruwelijk beeld wordt geschetst van de emotionele woestenij die jonge Europeanen op dit moment bewonen, een woestenij die volgens Houellebecq is geschapen door de jaren zestig. Het boek vertelt het verhaal van twee broers die in die tijd volwassen worden en nadat ze door hun ouders zijn verlaten ontdekken dat ze seksueel en sociaal onaangepast zijn; de ene broer daalt af in een hel van drank en seksuele bezetenheid, de andere trekt zich uit de wereld terug en wijdt zich aan zijn genetische onderzoek. Onder de oppervlakkige kalmte die op het ogenblik in Europa heerst, ziet Houellebecq een steeds verdergaande erosie van het fatsoen en de liefde onder mensen, die vervangen worden door de meedogenloze krachten van economische, seksuele en zelfs genetische concurrentie.

Hoe we ook mogen denken over Houellebecqs roman, als kunstwerk of als portret van het hedendaagse leven, het boek is in elk geval een nuttige herinnering aan de grenzen van het culturele conservatisme. Het is één ding dat de Europese maatschappijen veranderingen in sociale gewoonten toestaan die tot verruiming van de menselijke mogelijkheden leiden of ons menselijke wezen in elk geval niet aantasten; het is heel iets anders als we op een punt belanden dat samenlevingen geen onderscheid meer kunnen maken tussen dat soort veranderingen en die welke het menselijk leven omlaaghalen of trivialiseren.

Hoe leuk we het schouwspel van een stad als Amsterdam op dit moment ook vinden, we kunnen moeilijk om de vraag heen of de Europeanen dat onderscheid nog wel kunnen maken.

Mark Lilla is hoogleraar en lid van de Committee on Social Thought aan de Universiteit van Chicago.

© Newsweek