Failliet

Als er nu gespeculeerd wordt over het mogelijk faillissement van een hele grote onderneming komt onvermijdelijk even het gevoel van de jaren '70 terug. De tijd dat zulke gebeurtenissen bijna aan de orde van de dag waren. De kranten stonden vol met sociale ellende die massaontslagen met zich mee bracht. Over de financiële ellende van aandeel- en obligatiehouders had men het niet zo. Dat waren toch maar rijkaards, die zich wel weer zouden weten te redden.

Megafaillissementen zijn al een tijd niet meer aan de orde geweest. Hoe een déconfiture van een groot beursfonds in deze tijd in zijn werk zou gaan, weten we dus niet zo goed. Maar waarschijnlijk wel anders.

Wat hetzelfde zou zijn is dat de aandeelhouders als eersten hun verlies zouden moeten incasseren. Zij zijn immers de eigenaren van de onderneming, de verstrekkers van het zogeheten `risicokapitaal'. Als het bedrijf floreert delen zij is de winst, als er verlies wordt geleden, gaat dat meteen ten koste van het `eigen vermogen' dat door die aandeelhouders aan de onderneming ter beschikking is gesteld. De positie van aandeelhouders is wezenlijk anders dan die van verstrekkers van `vreemd vermogen'.

Onder dat vreemd vermogen vallen ondermeer: leningen van banken (handelskredieten, hypotheken etc.), leningen die beleggers in de vorm van obligaties aan de onderneming hebben verstrekt, maar ook leverancierskredieten.

Bij leverancierskredieten gaat het over goederen en diensten die wel zijn geleverd maar nog niet betaald. Vorderingen van personeel – salarissen dus – vallen eigenlijk ook onder die categorie, zij het dat die altijd met de hoogste voorrang betaald moeten worden. De afspraak met verstrekkers van `vreemd vermogen' is dat zij hun geld (terug)krijgen, ongeacht of het goed gaat met de onderneming of slecht. Pas als er helemaal geen eigen vermogen over is gaan ook zij wezenlijk risico lopen.

Overigens: hoewel aandeelhouders de hardste klappen opvangen hebben zij ten opzichte van veel vreemde vermogensverstrekkers ook een voordeel. Althans als het om een beursgenoteerd bedrijf gaat. Een aandeelhouder kan namelijk zelf bepalen hoever hij zijn verlies laat oplopen.

Als het slecht gaat met een bedrijf daalt de koers, maar dat gaat sprongsgewijs. Een aandeelhouder kan tussentijds zijn verlies nemen. Dit geldt overigens ook voor beleggers in beursgenoteerde obligaties. Maar banken, leveranciers en personeelsleden van een noodlijdend bedrijf moeten de tocht naar het einde vaak tot het laatst meemaken. Zij kunnen niet zomaar `uitstappen'.

Dit is ook de reden dat er ook nu, hoewel er op aandeelhouders niet meer wordt neergekeken zoals dertig jaar geleden, weinig compassie zal zijn met aandeelhouders die stroppen lijden. De risico's die zij namen, namen ze willens en wetens, en ze konden zelf bepalen hoever ze ze lieten oplopen.