Emoties in Doema over de landwet

Voor het eerst sinds het aantreden van de huidige Doema kwam het gisteren in Moskou tot een ouderwetse vechtpartij. Communisten en regeringsgetrouwen gingen met elkaar op de vuist over het gevoelige onderwerp van de vrije verkoop van grond.

De gematigd-communistische parlementsvoorzitter Seleznjov werd na afloop in het ziekenhuis opgenomen met hoge bloeddruk.

Aanleiding was een wetsvoorstel van de regering om handel in grond mogelijk te maken. Dat is in Rusland nu niet het geval, en zo willen de communisten het graag houden. Hoewel het recht op grondbezit al in 1993 in de grondwet werd vastgelegd, blokkeerden zij elke poging om dat wettelijk vorm te geven. Daardoor is alle grond in Rusland nog steeds staatsbezit.

Met name de verkoop van landbouwgrond achtten de communisten uit den boze. Dat zal volgens hen niet de gewenste klasse van innovatieve herenboeren opleveren – de `koelakken' die hun voorgangers in de jaren dertig zo energiek uitroeiden – maar Zuid-Amerikaanse latifundia. Want de enigen die geld hebben om grond te kopen, zijn oligarchen en buitenlanders, redeneren ze. ,,Land verkopen is moederland verkopen'', was een slogan van gisteren.

De regering kwam aan dit bezwaar deels tegenmoet door de heikele kwestie van de verkoop van landbouwgrond niet in de huidige wet op te nemen – het ging slechts om niet-landbouwgrond, 3 tot 10 procent van het totale areaal. Maar zelfs dat bleek voor de communisten en hun agrarische bondgenoten al een brug te ver. Want uit de – nominaal geprivatiseerde – kolchozen en sovchozen en hun rode voorzitters putten zij een groot deel van hun electorale kracht.

Communistenleider Zjoeganov en zijn manschappen bezetten de ruimte rond het spreekgestoelte om minister van Handel en Economie German Gref het spreken onmogelijk te maken. Na een kwartier duwen en trekken liepen de emoties hoog op. Toen de Kremlingetrouwe afgevaardigde Brintsalov de communist Tichonov uit zijn zitbankje wilde trekken, kreeg hij een kopstoot. Brintsalov antwoordde met gelijke munt, waarna een vuistgevecht volgde. Daarna rolden de Doemaleden over elkaar heen. Afgevaardigde Pliskatsjevski klaagde achteraf dat hij aan één oor doof was omdat de communiste Jelena Drapetskaja, veterane uit patriottische Sovjetfims, `schande, schande' in zijn oor krijste. `Puck, puck', riepen andere afgevaardigden, waarmee men in Rusland in de regel knokkende ijshockeyers aanmoedigt.

Nadat de strijders van elkaar waren gescheiden, verlieten de communisten het gebouw. De achterblijvers namen de wet daarna in alle rust met 251 stemmen aan, 25 meer dan vereist voor een eenvoudige meerderheid.

Slaan, schoppen, brullen, gooien met glazen water en etenswaar waren in de jaren negentig schering en inslag in de Doema. De staatszenders besteden er gretig aandacht aan . ,,Wilt u dat deze lieden het land regeren?'', was de impliciete boodschap van het Kremlin bij elke nieuwe knokpartij in het haar vijandig gezinde parlement. In de Doema die eind 1999 werd gekozen, heersten tot dusver beschaafde zeden. De regering had een solide meerderheid. Weerstand leek futiel. Men had geen flauw idee welke kant het opging.

De besmuikte glimlach waarmee parlementaire tv-verslaggevers gisteren verslag deden, wijst erop dat hun gelukkige dagen mogelijk terugkeren. De blauwe ogen van gisteren illustreren dat de doffe Poetin-consensus na anderhalf jaar op zijn eind loopt. Nu de regering, na enkele symbolische tegemoetkomingen aan links, ernst lijkt te maken met hervormingen, ontwaakt de communistische strijdlust.