Brabants hockey zonder Calimero-gedrag

Met de finale Oranje Zwart-Den Bosch onderstreept het Brabantse hockey zijn kracht. ,,In het zuiden wordt minder gezeurd.''

Als een kind zo blij reden ze zes jaar geleden terug naar Nederland, na de toezegging van Carsten Fischer dat de Duitse strafcornerbeul zijn kunsten in Eindhoven zou gaan vertonen. ,,Joop was zo uitgelaten dat hij van schrik z'n sigaar verkeerd om in zijn mond stak'', herinnert Simon van den Boomen zich.

Joop staat voor Joop Veelenturf, de voorzitter van hockeyclub Oranje Zwart met wie Van den Boomen, commissaris tophockey in Eindhoven, in het najaar van 1995 een cultuuromslag forceerde. Oranje Zwart, tot dan toe een grijze middenmoter in de hoofdklasse, moest hogerop. Om de jaarlijkse leegloop tegen te gaan, koos het tweetal voor een hoogst ongebruikelijke stap: spelers ontvingen voortaan een bescheiden vergoeding (ongeveer 2.500 gulden) van een onafhankelijke stichting tophockey.

Om de sportieve basis te vergroten, en daarmee de kans op afhakende spelers te verkleinen, haalden Veelenturf en Van den Boomen bovendien vrijwel elk seizoen één of meerdere topspelers uit het buitenland. Zo kwamen (Van den Boomen: ,,En gingen, want ook dat is topsport'') de Pakistaanse balvirtuoos Shahbaz Ahmad en de Australische ijzervreter Jay Stacy. Dit seizoen wordt Oranje Zwart voor een groot deel gedragen door Stacy's landgenoten: internationals Troy Elder, Michael Brennan en Brent Livermore.

Bijna zes jaar na de komst van Fischer staat OZ ,,als een huis'', verzuchten Veelenturf en Van den Boomen. Vandaag en morgen, met het tweede en (eventuele) derde finaleduel tegen streekgenoot Den Bosch, hopen beide bestuurders de kroon op het werk te kunnen zetten. ,,Het zou in meerdere opzichten een waardige afsluiting zijn'', zegt Van den Boomen, die – net als coach Michel van den Heuvel – na zes jaar een stap terug doet, maar als adviseur aan de club verbonden blijft.

Nog maar al te goed herinnert de 36-jarige fiscalist zich hoe hij zes jaar terug de strijd aanbond met wat hij ,,het aloude Brabantse minderwaardigheidscomplex'' noemt. ,,Men dacht en handelde in het klein, en keek met teveel respect en ontzag op tegen de clubs uit het westen. Die timide houding was een rem op de eigen ontwikkeling. Maar dat Calimero-gedrag hebben we gelukkig van ons af weten te schudden.''

,,Openheid, gemoedelijkheid en zakelijkheid'' zijn volgens Veelenturf (65) anno 2001 de wapens waarmee OZ de concurrentie tegemoet treedt. Eén misverstand wil hij daarbij graag uit de wereld helpen. ,,Het gaat niet om geld, het gaat om de beleving. Wat wij hebben neergezet, wordt door de hele vereniging, van hoog tot laag, gedragen. Dat daar hier en daar een bedragje aan te pas komt, is bijzaak. Waar het om gaat is dat Oranje Zwart leeft als nooit tevoren.''

Ter illustratie wijst Veelenturf, directeur van het Eindhovense textielbedrijf Vespo Groep, op de belangstelling: achtduizend bezoekers maar liefst verwacht de club vandaag (,,en hopelijk zondag'') te verwelkomen. In een speciale vip-tent worden de 65 businessleden en hun gevolg, jaarlijks goed voor bijna vier ton aan sponsorgelden, onthaald.

Hun grootste zege hebben Veelenturf en Van den Boomen al binnen. Werden ze nog niet zo lang geleden nagewezen als `twee poenerige proleten die het hockey op z'n kop zetten', inmiddels heeft hun voorbeeld alom navolging gekregen. Vrijwel alle topclubs betalen hun spelers tegenwoordig. Van den Boomen, cynisch: ,,Dus kennelijk hadden wij het zo slecht nog niet gezien.''

Ook Den Bosch keert vergoedingen uit, maar in tegenstelling tot OZ vertrouwt de club vooral op de eigen jeugd. Dat gegeven, plus de hechte verenigingscultuur, is volgens trainer-coach Toon Siepman de kracht van het Brabantse hockey, die van Den Bosch in het bijzonder. ,,Anders dan bij veel clubs in het westen staan spelers hier middenin de club. Ze verzorgen trainingen voor de jeugd, blijven na afloop langer hangen en zijn leergieriger dan die zogenaamde vedetten die in het westen van club naar club hoppen.''

Wat bovendien opvalt bij de clubs uit het zuiden: zelden of nooit komen spelers in opstand tegen hun coach, zoals afgelopen seizoen gebeurde bij Amsterdam en Bloemendaal. ,,Het respect staat bij ons wat hoger in het vaandel'', vermoedt Siepman. ,,Naar autoriteiten wordt daarom nog geluisterd, ook al zijn spelers het lang niet altijd eens met de begeleiding. Dat laten ze weten ook, maar dan niet met die zeurderige ondertoon.''

Daar kan Sander van der Weide over meepraten. Een jaar geleden verruilde de 24-jarige international Den Bosch voor Amsterdam. Niet dat hij in een slangenkuil terecht kwam, maar: ,,In het westen heeft iedereen meteen zijn woordje klaar. In het zuiden zijn spelers minder individualistisch ingesteld en daarom eerder bereid om zich in het belang van het team te schikken.''