Vleesgeworden eenheid

Binnenslands predikte Soekarno – deze maand honderd jaar geleden geboren – de permanente revolutie. In werkelijkheid talmde hij op belangrijke momenten, blijkt uit het tweede deel van zijn biografie.

Ampera! Nasakom! Nekolim! Oldefo! Resopim! Het zijn de woorden van de Grote Leider van de Revolutie, de Opperste Padvinder, President voor het Leven, Vader van het Proletariaat en Drager van de Boodschap van het Lijden van het Volk, Soekarno. Het is moeilijk voor te stellen dat een hele natie jarenlang in de ban is geweest van deze reeks naïef aandoende acroniemen en de epitheta van hun bedenker. Je waant je in een cartooneske dictatuur, maar niets is minder waar.

Indonesiërs spreken graag in verknutselde afkortingen en de dictatuur was cartoonesk noch werkelijk dictatoriaal. En hoe reëel was de retorica! Soekarno preekte binnenslands de permanente revolutie en streefde naar een consensuspolitiek waarin nationalisten, moslims en communisten (Nasakom) waren verenigd. Internationaal bond hij de strijd aan met de Old Established Forces (Oldefo), met neokolonialisme en imperialisme (Nekolim). Het leek alsof Indonesië met deze mantra's bezworen moest worden. Er was meer nodig dan de gezamenlijke geschiedenis van koloniale overheersing of een harde staatshand om dit enorme gebied tot een natie te smeden.

Nu, honderd jaar na Soekarno's geboorte en bijna 31 jaar na zijn dood, is Soekarno's faam in Indonesië bloeiende. Zijn naam was in 1999 goed voor een klinkende verkiezingsoverwinning van zijn (oudste) dochter Megawati, die haar politieke onervarenheid bedekte met de beeltenis van haar vader. En duizenden Indonesiërs trokken op 6 juni dit jaar naar zijn graf in Blitar, in Oost-Java, om hem eer te bewijzen op zijn honderdste geboortedag. De prestaties van de man zijn meer dan imposant en zijn proporties in de Indonesische verbeelding zelfs ontzagwekkend. Soekarno is Indonesië's enige echte held, de inspirator van de revolutie, de proclamator van de onafhankelijkheid, en de vlees- en geestgeworden eenheidsgedachte.

Het is de vraag of een Nederlander ooit kan begrijpen waarom Soekarno zo populair was. De oorlogsgeneratie had in elk geval weinig met hem op. Na de Japanse bezetting werd Soekarno afgeschilderd als een Quisling, een verrader en overloper, een marionet van Japan. Het is nooit meer goed gekomen. Toch herdenkt Nederland zijn honderdste geboortedag bescheiden mee. In het Leidse Museum van Volkenkunde is een fototentoonstelling ingericht *) en deze week verscheen het tweede deel van de Soekarno-biografie van Lambert Giebels. Vertelde het eerste deel onder de titel Nederlands onderdaan het leven van Soekarno tot 1950, dit tweede deel, President geheten, vervolgt het relaas vanaf januari 1950 – abusievelijk suggererend dat Soekarno tot 1950 Nederlands onderdaan was en pas in 1950 president werd.

Lauweren

Nog twee decennia restten Soekarno in dat jaar, maar in veel opzichten waren het niet zijn beste jaren. Als ceremonieel president had hij op zijn lauweren kunnen rusten. Maar tijdens de soevereiniteitsoverdracht was hij pas 49 en Indonesië bestond slechts bij kreet en decreet. Zijn taak als revolutionair activist was nog niet beëindigd. De volgende vijftien jaar zou Soekarno een verbaal bouwwerk construeren, dat hij de Indonesische natie noemde, maar dat innerlijk verscheurd was: een zwakke bureaucratie, een chaotisch partijstelsel, onwillige provincies en een economie die door het Nederlandse bedrijfsleven werd gedomineerd. In constitutionele zin had Soekarno geen machtige positie, maar in werkelijkheid bepaalde hij de belangrijkste staatszaken en bleef hij de spil van de Indonesische politiek.

In de loop van de jaren vijftig dreigde het politiek failliet van de jonge staat. Partijconflicten maakten het land onbestuurbaar en de lokale ontevredenheid liep uit op openlijk verzet tegen het centrale staatsgezag. Het bracht de teleurgestelde revolutionair ertoe drastische maatregelen te nemen. In 1959 schoof Soekarno de constitutie van 1950 opzij en voerde opnieuw de grondwet van 1945 in, een zeer summier document dat hem grote bevoegdheden gaf. Onder de Geleide Democratie werd het parlement gereduceerd tot discussie- en adviesorgaan – althans tot de verkiezingen, die er nooit kwamen.

Soekarno opereerde buitengewoon vernuftig, doch was wellicht meer redenaar dan bestuurder. Zijn gespierde retoriek ten spijt kon Soekarno weifelen wanneer de zaken echt om aanpakken vroegen. Hij deed dat op enkele cruciale momenten in de Indonesische geschiedenis.

De eerste keer op 15 augustus 1945, toen de Japanse bezetters van Indonesië capituleerden en Soekarno en Hatta draalden om de onafhankelijkheid uit te roepen. Het heldhaftige karakter dat de hagiografen aan de gebeurtenis hebben gegeven was in werkelijkheid geheel afwezig. Twintig jaar later zou Soekarno weer vertwijfeld toekijken hoe anderen het initiatief namen. Dit keer betekende het het einde van zijn macht en het begin van het grootste bloedbad uit de Indonesische geschiedenis. Tijdens de knullige en nog steeds niet helemaal opgehelderde gebeurtenissen op 1 oktober 1965, toen een interne poging tot intimidatie in het leger uit de hand liep en zes anticommunistische generaals werden vermoord, talmde Soekarno. Hij raakte zelfs verzeild in het kamp van de `opstandelingen' – enkele legeronderdelen en de communistische partij – alvorens zich in zijn weekendpaleis terug te trekken, terwijl het leger de orde herstelde. De grote vraag is of Soekarno op de hoogte was van de zuiveringsplannen. Een van de beoogde maar ontsnapte slachtoffers van de ontvoering, de onlangs overleden generaal Nasution, heeft altijd beweerd dat Soekarno achter de aanslag zat, maar nooit is hier substantieel bewijs voor aangevoerd. Ook Giebels, die het verloop nauwgezet reconstrueert, kan uiteindelijk geen doorslaggevende nieuwigheden aanvoeren, maar voor hem is duidelijk dat Soekarno voorkennis had van de gebeurtenissen die op til waren.

Moord

De gevolgen waren desastreus. Suharto, een van de generaals in de coulissen, slaagde erin de anticommunistische gevoelens aan te zwengelen, wat tot de moord op ten minste honderdduizenden communisten leidde. Soekarno, bezoedeld door zijn schijnbare associatie met de opstandelingen, zag zich gedwongen steeds meer macht af te staan, tot hij in maart 1968 ook de titel van president, hem voor het leven gegeven, aan Suharto kwijtraakte. Als een gevangene in zijn huis stierf de zieke en volslagen geïsoleerde Soekarno op 21 juni 1970.

Soekarno. President is een met vaart geschreven politieke biografie. Toch kleven er stevige bezwaren aan. Nederlands onderdaan, Giebels' eerste deel uit 1999, riep al gemengde reacties op. Het bleek een onevenwichtig werk, dat riedelde van de slordigheden. Hoewel er in dit tweede deel aan de spelling van namen duidelijk meer zorg is besteed, bevat het boek vele slordige citaten, misspellingen en vertaalfouten. Giebels leest namelijk geen Indonesisch. Dat kunnen wel meer mensen niet, maar het is een raadsel hoe je zonder Indonesisch te lezen een biografie schrijft van een man die Indonesië personifieerde, die in die taal is bewierookt en beschimpt, en die in die taal door vele tijdgenoten, helpers en tegenstanders is beschreven. Nee, zegt Giebels over dergelijke bronnen: `De wetenschappelijke waarde van deze publicaties is gering'. Zelf citeert hij liever de memoires van Willem Oltmans of de opgewonden geschriften van het Amerikaanse boulevardbladfenomeen Cindy Adams, die de `autobiografie' van Soekarno optekende.

Giebels maakt het nog sterker: met alle stelligheid beweert hij dat de Indonesische geschiedschrijving `het karakter van abads' heeft. Hij bedoelt hier babad, Javaanse kronieken, en de vergissing is zo veelzeggend dat we moeten aannemen dat de biograaf noch weet heeft van kronieken, noch van de hedendaagse Indonesische historiografie.

Giebels' oplossing was Soekarno vooral van zijn `Nederlandse/westerse kant' te belichten. `Als president van Indonesië bleef het focus van Soekarno op Nederland gericht', zo verduidelijkt hij. Afgezien van de merkwaardige voorstelling dat Soekarno twee onderscheiden kanten had, wordt de Indonesische geschiedenis hier op een merkwaardige manier geannexeerd. Geen wonder: Giebels leunt sterk op zijn Nederlandse zegslieden, die graag (of alleen maar) Nederlands spraken en de idiomatische virtuositeit van de theatrale president wel konden waarderen. Soekarno epateerde graag met zijn talenkennis, die werkelijk uitzonderlijk was: behalve een handvol Indonesische talen sprak hij perfect Nederlands, en verder Duits, Engels en Frans, en zal tijdens de oorlog ook een mondje Japans hebben meegekregen. Dat hij een zekere band met de Nederlands-Indische cultuur had spreekt vanzelf, maar evenzeer dat hij een zeer ambivalente houding jegens de vroegere kolonisator had.

De Nederlandse toeëigening komt op vele plaatsen terug. Talloze malen wordt vermeld dat deze of gene Indonesiër in Nederland had gestudeerd, terwijl over de opleiding van andere Indonesiërs niets wordt vermeld; een Sinterklaasbezoek aan het gezin Soekarno in 1950 is een teken van Nederlandse verknochtheid; en elke Nederlandse journalist of zakenman met wie de ijdele en toegankelijke president het kon vinden wordt opgevoerd ten bewijze van Soekarno's `focus op Nederland'.

Storender nog is de beschrijving van de Geleide Democratie, die Soekarno in 1959 invoerde om af te zijn van de partijpolitieke chaos. Volgens Giebels paste Soekarno niets anders toe dan het Nederlandse verzuilingsmodel, waarin de verschillende maatschappelijke stromingen aan de top overleg voerden en een vreedzame coëxistentie waarborgden. Nu zijn er wel vaker vergelijkingen getrokken tussen het Nederlandse polder- en het Indonesische sawahmodel, maar hoewel beide op een vorm van consensus berusten, is hun werking totaal verschillend. De vergelijking mystificeert slechts.

Ideologische mist

Het Indonesische model dat Soekarno toepaste, wortelde in de idee van musyawarah (beraadslaging) en mufakat (consensus). Minderheidsstandpunten werden net zolang doorgeëxerceerd totdat er een besluit kon worden genomen en gezichtsverlies werd vermeden. Ook een begrip als Nasakom, dat Soekarno in 1963 introduceerde en dat een gelijkwaardige vertegenwoordiging van nasionalisme, agama (godsdienst) en komunisme propageerde, kwam voort uit een Javaans concept. Door buitenstaanders als principeloze compromissenpolitiek en ideologische mist afgedaan, betekende het in de Javaanse context het laten voortbestaan van verscheidenheid binnen de eenheid van de natie. Het grote verschil met het Nederlandse model was niet alleen de uitschakeling van de partijdemocratie, maar bovenal ook de centrale rol van de nationale leider, in wiens persoon alle tegenstellingen oplosten.

Soekarno's veelbesproken seksuele activiteit droeg ook bij tot zijn aureool. We komen er in de biografie veel over te weten, maar gelukkig niet alles. Giebels ontleende veel nieuwtjes aan de rapportages van Nederlandse ambassades in landen waar Soekarno te gast was. Bijna zonder uitzondering betroffen deze belangwekkende verslagen van de escapades van Soekarno met tolken, stewardessen en, naarmate hij ouder werd, ook prostituees. Nu zijn er wel meer erotomane staatslieden, maar Soekarno liep er nogal mee te koop. De vraag, die Giebels stelt noch beantwoordt, is in hoeverre zijn seksuele driften en zijn koketterie er precies toe deden. Behalve gewoon promiscuïteit, wat het óók was, paste zijn ostentatieve viriliteit geheel in het traditionele gedragspatroon van de Javaanse leider, die vruchtbaarheid en kracht moest uitstralen.

Soekarno. President schiet zeker tekort als intellectuele biografie en als psychologisch portret en tot op zekere hoogte ook als analyse van de Indonesische politiek. Toch heeft Giebels een vaardige pen die deze eerste grote Nederlandse biografie van Soekarno de moeite waard maakt. Het leven van Soekarno is natuurlijk niet stuk te krijgen, zoals een aria van Verdi ook op ocarina onvergetelijk blijft.

*) Tentoonstelling: `Soekarno, architect van een natie', 1901-1970. T/m 30 september. in Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Di t/m zo 10-17u. Inl. 071-5168800 of www.rmv.nl. (besproken in NRC Handelsblad, 6.6.2001)