Verlossing is een leugen

Van de eeuwigheid valt niets te verwachten, zo maken de uit de dood opgewekte Rotterdammers in het poëzie- en theaterproject `Lazarus' duidelijk.

Dit is geen plaats voor warmbloedigen.

Twee rijen dukdalven, de door water aangevreten houten steunpilaren van een pier, strekken zich uit in het donker. Eronder de drassig mengeling van stevig zilverzand en plassen water die altijd ontstaat langs een vloedlijn. Koud is het, en vochtig. En tussen de dukdalven door dwalen bleek uitgedoste figuren, sprekend over de verdrinkingsdood.

Even verder is het al net zo donker, totdat er in de verder lege ruimte een felgele zon op een rozige achtergrond gaat schijnen. Twee silhouetten, die zich langzaamaan laten herkennen als twee vrouwen, tekenen zich ertegen af. Haast onmerkbaar wandelen ze op je toe, terwijl de ondergaande zon op het scherm achter hen meeglijdt, steeds groter, roder en vlammender wordend. Desondanks is het kil, ook in deze ruimte, terwijl de oudere van de twee vrouwen vertelt over de dorre woestenij die haar leven als vrijgezelle gymnastieklerares aan het Gymnasium Erasmianum was.

Was, want dit zijn de doden die hun verhaal doen, in het dodenrijk dat is gecreëerd in een zestal ondergrondse oude opslagloodsen van het Westelijk Handelsterrein te Rotterdam. In Lazarus, een voorstelling van theatermaker Peter Sonneveld, worden 21 Rotterdammers als het ware uit de dood opgewekt om hun verhaal te doen, in monologen geschreven door tien Nederlandse dichters. Het project (een co-productie van de Rotterdamse Schouwburg, Poetry International, Rotterdam 2001, De theatercompagnie en het Ro theater) beweegt zich op het raakvlak van theater en poëzie de teksten zijn vanaf deze week in boekvorm verkrijgbaar, en de theatervoorstelling gaat vanavond in première.

Bedenker, initiatiefnemer en regisseur Sonneveld liet zich voor het Lazarus-project inspireren door de Spoon River Anthology van de Amerikaanse dichter Edgar Lee Masters. Masters schetste in deze bundel een genadeloos beeld van de inwoners van het stadje Spoon River in de Amerikaanse Midwest, door ze in 211 dramatische monologen hun eigen grafschrift te laten uitspreken. De personages, allen tijdgenoten, spreken vrijuit over hun afgesloten levens, vatten die kernachtig in één enkele cruciale gebeurtenis samen en verwijzen in hun verhalen naar stadsgenoten, die op hun beurt weer aan het woord komen. Zo worden langzaam maar zeker de contouren zichtbaar van een small town waar levens worden gefnuikt door hypocrisie, seksuele repressie, benepen sociale controle en kleingeestigheid Spoon River Anthology veroorzaakte bij publicatie in 1915 dan ook een groot schandaal onder het puriteinse Amerikaanse lezerspubliek.

Begraafplaatsje

Maar, vertelt Sonneveld na de repetities op het Westelijk Handelsterrein, ,,misschien ontstond de kiem voor dit project wel op het moment dat mijn moeder weer eens in de gang stond, haar jas van de kapstok pakte en tegen me zei, kom, we gaan even een begraafplaatsje pikken'. Sonnevelds moeder was een verwoed bezoekster van begraafplaatsen, ging met hem de graven van dierbaren af, en dan kwamen de verhalen los. Ook hijzelf bezocht nog regelmatig begraafplaatsen tot hij in de twintig liep.

Een concreet plan voor Lazarus ontstond nadat Sonneveld in 1998 een aantal van Masters monologen had geregisseerd voor Poetry International. Twee jaar geleden legde hij zijn concept voor een grotere voorstelling, ditmaal over Rotterdam, voor aan de Rotterdamse Schouwburg en de organisatie van Rotterdam 2001, en begon met het benaderen van dichters voor de teksten. Hij nodigde dichters uit wier werk hij bewonderde, en van wie hij vermoedde dat ze bovendien een zekere affiniteit met theater hadden. ,,Ik zocht een bepaalde dramatische kwaliteit', aldus Sonneveld. ,,Het gaat om teksten die door een acteur tot het publiek moeten komen, dat werkt toch anders dan op papier. Een oraal element was dus belangrijk. En ik wilde graag veel verschillende stijlen.' Onder andere Eva Gerlach, Anna Enquist, J.A. Deelder, Willem Jan Otten en Robert Anker zegden toe.

Samen met dramaturg Lex Bohlmeijer werd een `longlist' samengesteld van 37 mogelijke personages, uitgestrekt over zes eeuwen geschiedenis, en onderverdeeld in een aantal thema's die een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van de stad, als familie, handel, de oorlog, de Maas er komen in Lazarus nogal wat mensen aan hun eind door verdrinking. Beroemde personages werden met opzet gemeden. De monologen moesten geen opsomming van verdienstelijkheden worden, of een geschiedenisles, maar de echte verhalen van mensen over hun verlangens, hartstochten, wanhoop en frustraties. Sonneveld: ,,De verbeelding viert hoogtij, desnoods wordt de waarheid geweld aangedaan.'

Toch werden alle personages gebaseerd op historische figuren, soms letterlijk uit de voetnoten van de geschiedenis geplukt. Sonneveld en Bohlmeijer raadpleegden geschiedwerken en het gemeentearchief, en ook de dichters zelf droegen personages aan. Rien Vroegindeweij kwam zo met het verhaal van Anneke Janszdochter Uyt Den Briel (1510-1539), een wederdoopster die vanwege haar overtuiging werd verdronken in een zak in de Schie. Haar zoontje, dat ze vlak voor de executie aan een omstander gaf, werd later burgemeester van Rotterdam. In overleg met de dichters werden uiteindelijk 21 personages uitgekozen, van de heilige Liedewij (1380-1433, Willem Jan Otten), via de wijn stelende schutter en moordenaar Cornelis Costerman (1650-1690, J.A. Deelder), tot het gewetenloze lid van de Landelijke Knokploegen Witte Tommie (1920-1948, Eva Gerlach). Ze zijn onderverdeeld in zes groepen familie, geloof, arbeid, onderwijs, lust en liefde, en oorlog die elk in één loods van het Westelijk Handelsterrein worden gespeeld. Het publiek, ook onderverdeeld in drie tot vier groepen, gaat telkens een andere loods binnen.

Catacomben

Daartoe moet men zich eerst verzamelen in de lange, onderaardse maar winderige gang van het uit 1894 stammende gebouw, dat zelf wel iets wegheeft van een catacomben-complex. De temperatuur daalt hier behoorlijk een onbedoeld neveneffect van de lokatie, maar het roept heel aardig de sfeer van een ondergronds dodenrijk op, of zo je wilt, het koelhuis van een ziekenhuis. Wanneer klokgebeier klinkt, worden de zware loodsdeuren opengegooid en begint ieder aan zijn route door de onderwereld.

Zo loop je door een `kathedraal' van geknoopte touwen met daarin stenen, schelpen, mariabeeldjes en andere merkwaardige objecten, naar een tribune van ouderwetse stoeltjes met gevlochten zittingen. Op de grond staan rijen waxinelichtjes in rode houdertjes, maar het ruikt niet naar kaarsen of wierook: de geur van sisal en henneptouw is allesoverheersend. Door het bouwsel heen dwalen een vijftal in het wit geklede figuren: het is de familie Velder die hier haar verhaal doet, van de in 1598 geboren stamvader Folckert Felders, tot een verre vrouwelijke nazaat uit de negentiende eeuw. Uit de zeventiende eeuw zijn is er het ongelukkige echtpaar Henrik Velder, een dichterlijke dromer, en zijn Engelse vrouw Elsbeth Rockwood, een godvruchtige zakenvrouw die met keiharde hand het familiebedrijf leidde. Hun monologen zijn hier en daar door elkaar gesneden, maar geen moment is er sprake van een dialoog net zomin als tijdens hun leven. Hun enige raakvlak is het verdriet om het jonggestorven dochtertje Joanne, maar ook het rondhuppelende meisje biedt geen troost: ieder verkeert in zijn eigen ontoegankelijke hiernamaals. De doden zijn onherroepelijk alleen, in de wereld van Lazarus.

Sonneveld: ,,Het idee achter de voorstelling dwong de dichters om te fantaseren over de vraag, waar is iemand na de dood? En je ziet telkens weer in deze monologen dat de personages nog altijd vastzitten in het leven dat ze hebben geleid. Mensen nemen het leven dat ze hebben geleid mee in de dood.' Zo verkeert Folckert Felders permanent in de hel van het beleg van Den Bosch dat hij heeft meegemaakt. ,,God bedroog ons met zijn dood verlossing/ Is een leugen de torment gaat eeuwig door/ Ik voel geen kou maar ben tot in mijn botten/ Versteend', liet Robert Anker hem uitspreken. En Elsbeth Rockwood heeft, geheel tegen haar verwachting in, God nog altijd niet gezien sinds haar dood, dus: ,,ik doe hier wat ik altijd deed/ Met wijs beraad geld verdienen bij de vleet/ Het is een spel die eeuwigheid is kul'.

Een loods verder zijn er echte catacomben nagebouwd, compleet met gemetselde nissen waarin de acteurs staan. Hier woedt nog permanent de Tweede Wereldoorlog. Of het nu gaat om Kitty, een meisje uit het verzet dat een misstap beging, en de sadistische Witte Tommie die haar executeerde (,,Wat wilt u horen, geen van ons kreeg straf/ faxt u mij, als u wilt'); of Cato en Leendert, twee geliefden die omkwamen bij het bombardement van Rotterdam, ze lijken voorgoed te zijn bevroren in één levensbepalend, levensvernietigend moment. Sonneveld: ,,Er is geen dialoog meer mogelijk. Het is afgesloten, je krijgt het gevoel: `Dit was het'. Het zijn stuk voor stuk mensen die het leven gelééfd hebben, en in vrijheid daarover praten, los van maatschappelijke conventies of verwachtingen. Hun ervaringen raken aan wat iedereen meemaakt, je herkent je in ze, of denkt juist, goddank, ik niet.'

Oven

Vooral dat laatste komt vaak voor. Het dienstmeisje Cato verbergt zich tijdens het bombardement van Rotterdam in een kerkkluis, die door de hitte verandert in een gloeiende oven, en verbrandt levend. Evenmin te benijden is de martelgang van Kitty, verkracht en vermoord door haar eigen verzetsvrienden. Maar veel griezeliger nog zijn twee wreedste, meest gewetenloze figuren van het stel, Witte Tommie, en de plantage-opzichter Treboulon (1711-1782), beiden niet toevallig op meesterlijke wijze tot leven gewekt door Eva Gerlach.

Treboulon (fraai vertolkt door Joop Keesmaat) vertelt ijsberend tussen de dukdalven op het strand hoe hij een slaaf liet doodranselen, omdat hij diens lach niet kon verdragen: ,,Ik zeg u, als een slaaf zijn plaats niet kent/ kunt u uw investeringen vergeten. (-) Dit was mijn werk. Ik heb het goed gedaan.' Wanneer hij zich terugtrekt tussen de houten pijlers, komt er een andere achttiende-eeuws ogende figuur door de plassen naar voren gestapt. ,,Tijd is drek!' schreeuwt hij het publiek toe. Want ,,ieder die altijd heeft gemijmerd/ over een beschaafde eeuwigheid/ en braaf vergeven en vergeten, zou moeten weten', volgens deze landmeter en cartograaf Pieter Ancelin (1707-1760): ,,Niets zo onverslijtbaar/als ons eigen oude schreeuwen.' In een sterke monoloog van Edward van de Vendel doet Pieter uit de doeken hoe hij als eerste de diepte van de Maas in kaart bracht, maar ,,bleef gegrepen door de afwijking, de bocht,/ de onbeheersbaarheid van vocht'. Hij wordt uiteindelijk wegens sodomie in diezelfde Maas verdronken.

,,Ja, er zit veel ellende in', beaamt Sonneveld, ,,maar niets is nu eenmaal saaier dan geluk. Na vijf minuten geluk op het toneel ga je denken: wanneer gebeurt er iets.' Dat geldt des te meer voor een voorstelling met een tamelijk statische opzet, zoals deze. De opeenvolging van op zichzelf staande monologen zonder al te veel dramatische interactie, plus de duur (bijna vier uur, inclusief pauzes) maken het tot een voorstelling die veel vergt van het concentratievermogen van de toeschouwer. Daarbij komt de allengs erger wordende kou mensen die een kaartje kopen, krijgen er een briefje met kledingadviezen bij. Voor de acteurs, die langdurig stilstaan, moet het nog veel zwaarder zijn: na afloop hebben er een paar dekens en truien over hun witte kostuums geslagen.

Desondanks weerhouden de lijkenhuistemperaturen ze er niet van om voor de duur van een monoloog springlevende mensen van vlees en bloed neer te zetten. ,,Juist het besef van eindigheid stimuleert enorm', stelt Sonneveld. Toen hij zijn eigen gestorven vader in de kist zag liggen, vertelt hij, rees het besef: het is écht nu over. ,,En in de dagen en weken erna bruiste ik van een ongekende vitaliteit, ondanks het verdriet. Al mijn zintuigen stonden open, alsof ik de dingen nu pas echt zag. Ik hoop dat de voorstelling een dergelijk gevoel kan overbrengen', vervolgt hij. ,,Want de moraal is: Je moet het leven leven wanneer je kunt, omdat er hierna niets meer gaat komen.'

Lazarus. Westelijk Handelsterrein, Van Vollenhovenstraat 15, Rotterdam. T/m 7 juli. Inlichtingen: 010-4118110. www.schouwburg.rotterdam.nl/lazarus