Strijdend tegen Kapitein Hengst

Utopieën zijn vaak gesitueerd op moeilijk toegankelijke eilanden, afgesloten van de boze buitenwereld die hun deugdzaamheid niet kan verstoren. Op een dergelijke verloren uithoek, omgeven door verraderlijke winden en stromingen, voor de kust van Bahía, laat de Braziliaanse schrijver João Ubaldo Ribeiro zijn onlangs vertaalde roman De betovering van het Pauweneiland zich afspelen. Maar anders dan in de gewone utopische literatuur is op het Pauweneiland niet alles kits. Er heerst vrijheid, er is genoeg te eten en te drinken en er wordt met lust gevreeën, maar er heerst ook achterbaksheid, machtshonger en haat. Het Pauweneiland is, met andere woorden, zo gewoontjes als een utopie maar zijn kan.

Ribeiro's verhaal ontrolt zich in een onduidelijk verleden, waarschijnlijk ergens in de achttiende eeuw, die op het eiland in één opzicht zijn tijd vooruit is. De slavernij is de facto afgeschaft, niet omdat de wet veranderd is, maar omdat de rijkste grootgrondbezitter (Kapitein Hengst) na de dood van zijn vrouw zijn slaven heeft vrijgelaten en zijn gebied heeft opengesteld voor alle slaven van elders. Zoiets zet kwaad bloed, niet alleen bij de blanke bovenlaag van het eiland, maar ook bij een zwarte slavenhandelaar die de bossen intrekt om een Bokassa-achtig koninkrijk te stichten waar – `volgens de wetten van God en Portugal' – de natuurlijke orde van slaven en heren geëerbiedigd blijft.

In hun strijd tegen Kapitein Hengst gaan blank en zwart een bondgenootschap aan dat gedoemd is te mislukken. Hilarisch vertelt Ribeiro hoe het blanke garnizoen in de `Slag van de Schijtlaarzen' smadelijk het onderspit delft tegen de indianen die het uit de hoofdstad wil verdrijven, omdat het door onweerstaanbare buikloop wordt geveld. Even hilarisch zijn de gevolgen van het plan Kapitein Hengst voor de Inquisitie te brengen. Wanneer de inquisiteurs voet aan land zetten, dringt het pas tot de dames en heren door dat ook hun ondeugden, bedrog en overspel daardoor aan het licht zullen komen. Nadat zelfs de visiterende paters aan de heersende ontucht geen weerstand hebben kunnen bieden, is de déconfiture compleet.

Tegenover al die doortraptheid brengt Ribeiro een handvol figuren in het spel die weliswaar niet vlekkeloos zijn van deugdzaamheid, maar misschien wel juist daardoor des te innemender. De jonge negerin Crescência wordt het hof gemaakt door de zoon van Kapitein Hengst, maar ze weigert hardnekkig de woorden te zeggen die hij voor de liefdesdaad nodig heeft. De slimme indiaan Balduíno Duivelse Haan, het brein achter bijna alle krijgslisten, vindt die de houding van Crescêntia maar nodeloos wreed. De verliefde Iô Pepeu zelf bedient zich met smaak van alle vrouwen in zijn vaders huis, maar die gewoonte – die na de slavernij kennelijk niet was afgeschaft – wordt hem door niemand kwalijk genomen. En een sympathieke heks, die meer weg heeft van een blauwkous uit de Verlichtingstijd, steekt een handje toe, samen met een verdwaalde Duitser die op het Pauweneiland Beierse huisjes bouwt voor de plaatselijke indianen.

De bonte onwaarschijnlijkheid van Ribeiro's fantasie wordt in dit boek alleen geëvenaard door het sensuele plezier waarmee hij de fysieke aantrekkelijkheden van het eilandleven beschrijft. Het is wellicht allemaal wat te mooi en te probleemloos, vooral wanneer de hoofdfiguren aan het eind van het boek een Openbaring ondergaan waardoor zij de Tijd en de Toekomst leren te beheersen. Pas dan wordt het eiland pas echt een utopie en natuurlijk spreekt Crescência dan ook de woorden uit waarop Iô Pepeu een boek lang heeft gewacht. Het zij Ribeiro vergeven, want sprookjes moeten gelukkig eindigen.

Dat was in zijn voorgaande boeken wel anders. Zijn magistrale epos Brazilië, Brazilië, dat de hele Braziliaanse geschiedenis van de afgelopen eeuwen bestreek, eindigde eveneens in een toekomstvisioen, maar de beelden daarvan werden getekend door rampen en verschrikking. En in De glimlach van de hagedis leverde hij bitter commentaar op de nietsontziende zucht naar rijkdom van de Braziliaanse bovenlaag en de ecologische rampen die deze daarvoor bereid was aan te richten.

Die somberheid – zo vertelde Ribeiro een paar jaar geleden in een interview – moest wel een lichtere tegenhanger krijgen. Hij schreef een kinderboek en met De betovering van het Pauweneiland een sprookje voor volwassenen. Dat die lichtheid zelfs lichtzinnigheid kon worden, bleek uit zijn twee jaar geleden verschenen boek, Het huis van de gelukkige Boeddha's: een erotische `roman over de onkuisheid' waarvan de vertaling in het najaar uitkomt.

João Ubaldo Ribeiro: De betovering van het Pauweneiland (O Feitiço da Ilha do Pavão). Uit het Braziliaans vertaald door Harrie Lemmens. Anthos, 286 blz. ƒ47,50

[streamliner] João Ubaldo Ribeiro's Pauweneiland is zo gewoontjes als een utopie maar zijn kan

Buitenlandse literatuur