Schaamteloze lijpheid

In `Saturday Night Fever', weldra weer te zien als musical, was disco een religie. Hogepriesters waren de Bee Gees, met hun stembanden van aluminiumfolie.

`Ik wil koffie, geen seks', luidt het gedecideerde antwoord van Tony Manero, de held van de uit 1977 daterende speelfilm Saturday Night Fever, als zijn danspartner avances maakt en hem voorstelt om na de training nog wat te gaan drinken. Liever ontlaadt hij zijn energie op de van onderaf oplichtende dansvloer van discotheek 2001 Odyssey.

Daar, onder de schitteringen van de spiegelbol die weerkaatst op de traag over de vloer kruipende rook, komt hij tot leven. Gehuld in een wit polyester pak of een strak om het lijf gespannen overhemd, ontwaakt hij er uit de sluimer van zijn suffe baan in een verfwinkel. Met een enkele heupbeweging en een pirouette die met een triomfantelijk opgeheven wijsvinger wordt bekroond, regeert hij er soeverein over de hem in adoratie aanschouwende menigte. Binnen de muren van de 2001 bevindt zich zijn heiligdom, zijn walhalla. Disco is zijn religie en de Bee Gees, met hun goudblonde manen, zijn de hogepriesters van de eredienst.

Tony laaft zich aan hun monter pompende basjes in kordaat wandeltempo, friemelende slide-guitar motieven en kwijnende strijkerslijnen in de tussenstukjes. En bovenal zijn het de kelig keffende falsetstemmen van de drie gebroeders Gibb die verheffing en koortsachtige vervoering brengen. Met hun stembanden van knisperend aluminiumfolie. Met hun timbre dat als een hitsig knaagdier door onze gehoorgangen doolt. Pregnant gefoeter van vertoornde engelen, sidderend en kirrend als kreeften die levend worden gekookt. Een stemgeluid dat volslagen uniek is en door geen sterveling ook maar enigzins kan worden benaderd.

Van de soundtrack die de Bee Gees voor Saturday Night Fever maakten, werden wereldwijd dertig miljoen exemplaren verkocht. Van de zeventien nummers die erop staan, werden er tien een hit. Op 24 juni lanceert Joop van den Ende Theaterprodukties een Nederlandstalige musicalversie van Saturday Night Fever in het Utrechtse Beatrix Theater.

Natuurlijk wil Tony Manero meer dan alleen koffie, maar dan wel met Stephanie Mangano. En uitgerekend zij, de prima ballerina van Phillip's Dance Studio, ziet hem niet staan noch zitten. Een gevoelige kras op het harnas van zijn puberale verbeelding. Dit kosmische onrecht, waarzonder een mensenziel niet compleet is, vormt de spil van het drama in Saturday Night Fever. Wel besluiten Tony en Stephanie om samen een koppel te vormen voor de op handen zijnde danscompetitie in 2001 Odyssey. Door de koning van de discodans te worden, probeert hij zich te ontworstelen aan het benauwende en armlastige Italiaanse milieu in de wijk Bay Ridge in Brooklyn. Aan de overkant van het water, waar de imposante skyline van Manhattan zich aftekent, wil hij terechtkomen. Hoe weet hij nog niet precies.

John Badhams Saturday Night Fever bevat verwikkelingen met vrienden en jeugdbendes à la West Side Story. Maar de twee kurken waarop de film blijft drijven zijn de ontwapenende en overrompelende vertolking van Tony Manero door de debuterende John Travolta en de muziek van de Bee Gees. Zij maken de film tot het standaard naslagwerk van het discotijdperk. Men danst naast elkaar in twee rijen en maakt met de vuisten een soort ollekebolleke-remisolleke draaibewegingen. De rechtervoet beweegt zich naar de linker, maakt pas op de plaats, en vice versa. In de volksmond ook wel `schaatsen' genoemd.

Disco is onvoorstelbaar oubollig en verbazingwekkend hip tegelijk. Het stort zich onbekommerd en argeloos in het feestgedruis, dat door zijn komst merkbaar verlevendigt. Het houdt de muziekgeschiedenis een lachspiegel voor, overhandigt ons een karikatuur van buitenissigheid, reikt een blauwdruk aan voor smaakvolle smakeloosheid. Het is dansmuziek die nog door mensenhanden is vervaardigd en niet door drumcomputers en samplers. Dat is wellicht wat het zo aanstekelijk en sympathiek maakt en verklaart waarom wij disco als gedateerd ervaren en de muziek nog altijd populair is.

Dit laatste heeft natuurlijk ook met de kwaliteit van de nummers te maken. Naast evergreens als Stayin'Alive en Tragedy, die de Bee Gees zelf vertolken, zingt Yvonne Elliman met resolute berusting hun If I can't have you, I don't want nobody, baby. Vijfstemmig samengebalde `shoewaps' klinken er in de uitvoering van More than a woman door Tavares. De composities van de Bee Gees worden aangevuld met nummers van Kool and the Gang, KC and the Sunshine Band en door The Trammps met hun klassieker Disco Inferno. De soundtrack van Saturday Night Fever lijkt een staalkaart met de chef d'oeuvre's van de disco, al ontbreekt er ook een aantal ijkpunten, zoals het amechtige gekreun van Donna Summer.

Barry Gibb werd in 1946 geboren op het Isle of Man, in de Ierse Zee, en kreeg drie jaar later gezelschap van de tweeling Robin en Maurice. Ze groeiden op in een arbeiderswijk in Manchester. Moeder Gibb was in haar jonge jaren een professionele zangeres. Vader speelde in een bigband en had een collectie platen van de Mills Brothers, een vocaal kwartet uit de Verenigde Staten dat beroemd was om zijn zoetgevooisde harmonieën in nauwe liggingen. Puur voor de lol begonnen de drie knapen deze samenklanken na te zingen. Eerst thuis, de platen uit het hoofd lerend en vervolgens al spelend op straat. Toen de tweeling zes was, begonnen ze voor het eerst op te treden. Ze noemden zichzelf Wee Johnny Hays and the Blue Cats en fungeerden als pauzenummer tussen films in de lokale bioscopen.

Eind jaren vijftig emigreerde het gezin naar Brisbane, in Australië. Daar speelde het drietal in strandclubs en bij paardenraces en begon zijn opwachting te maken in tv-shows. In 1963 verscheen hun eerste single onder de naam Bee Gees: Three Kisses of Love. In 1965 werden ze verkozen tot het beste team songwriters in Australië. Hoewel ze in de tussenliggende decennia ook een aantal soloprojecten hebben ondernomen en een paar keer fikse ruzie hebben gehad, zoeken ze elkaar nog altijd op om muziek te maken en nummers te schrijven. Vorig jaar verscheen hun meest recente cd This is where I came in.

Hoge mannenstemmen, met hun mengeling van branie en broosheid, hebben de muziekliefhebber altijd bijzonder kunnen bekoren. In sommige tijdvakken nam deze fascinatie zelfs de vorm van een manie aan. Naast de Bee Gees zijn er in de jaren zeventig talloze voorbeelden van masculien vocaal alpinisme aan te wijzen: de wat beteuterde en afgeknepen sound van de Beach Boys, die de hausse aanzwengelden. Maar ook de zijdeachtige vocalises van Earth, Wind & Fire, die soepele curves maken als het wapperende lint van een Chinese turnster. Het hoogtepunt is afkomstig uit de glamour-rock, een voos neefje van de disco. In Sugar Baby Love van The Rubettes wordt een onderlaag aangebracht van nonchalante `shoebiedoewopwops', fris en vochtig als een bedje jonge sla, waaroverheen de leadzanger op een wolk van bombastische euforie als een rabiate jakhals aan het gillen slaat.

In de 17de en vooral de 18de eeuw waren castraten enorm populair in Italië. De besten, zoals de legendarische Farinelli, of Caffarelli en Marchesi, bereikten een sterrenstatus en werden verafgood. In Frankrijk, dat in het gemeenschappelijke Europese bewustzijn toch niet bekend staat wars te zijn van nuffigheid, moest men van deze castraatzang echter niets hebben. Men sprak er van `gekunstelden' of `verminkten', terwijl een castraat in Italië over het algemeen aangeduid werd als virtuoso, of primo uomo. Castraten waren vrijwel zonder uitzondering van zeer eenvoudige komaf, weeskinderen of vruchten van buitenechtelijke relaties.

Samen met de integri, de leerlingen met intacte teelballen, werden de castraten, de non integri, op een conservatorium geplaatst. De term conservatorium heeft dus geen betrekking op het conserveren van muzikale tradities, maar betekent veeleer een bewaarplaats voor armeluiskinderen die muziekonderricht kregen in de veelal ijdele hoop daarmee een menswaardig bestaan op te kunnen bouwen. Voilà, de essentie van het muziekbeest.

Als bij een jongetje van een arme familie enig zangtalent was ontdekt, werd al gauw castratie overwogen, liefst tussen het zevende en negende jaar. De `engelenmaker' bond de halsslagaders af om de bloedcirculatie kort te onderbreken, opdat het kind in een comateuze toestand raakte, en dompelde het in ijskoud water om overmatig bloeden af te remmen. Via een kleine insnijding in de lies, werden de zaadstrengen en testikels naar buiten getrokken en afgesneden en werden de zaadkanaaltjes afgebonden. De castraatstem verschilt in lichtheid, flexibiliteit en hoogte van die van de gewone mannelijke falsetstem en in schittering, helderheid en kracht van die van de vrouw. Wie raakt er niet in vervoering door de pure engelachtigheid van het Miserere van Gregorio Allegri (1582-1652)?

Muziek geschreven door een castraat, voor castraten. Alle grote Italiaanse operahuizen ontstonden door het particuliere initiatief van kapitaalkrachtige families en ondernemers. Het was hun duidelijk dat ze om hun honger naar opera te stillen, maar niet te veel op de heersende machten moesten rekenen. Het concept was simpel: een aristocratische familie of vorstenhuis liet een theater bouwen, stelde het open voor publiek en liet het beheer ervan over aan één of meer ondernemers. Deze impresarii verdienden de investering terug door gerieflijke loges, de oervader van de skybox, te verkopen of per seizoen te verhuren en voerden verder een onafhankelijk artistiek beleid. Ze huurden de orkestmusici, verstrekten compositieopdrachten, en contracteerden zangers, waaronder de castraten, die naarmate ze beroemder werden, steeds exorbitantere gages gingen eisen.

Naar het einde van de 18de eeuw toe begon de belangstelling voor castraatzangers weg te ebben. De opkomst van de romantische opera betekende de nekslag voor het genre, al leefde de traditie nog een tijd voort binnen de muren van het Vaticaan. In 1904 maakte de Londense Gramophone Company er plaatopnamen, om het stemgeluid van de allerlaatste castraatzanger Alessandro Moreschi (1858-1922) vast te leggen. De geluidskwaliteit is bar en boos en Moreschi is al merkbaar op zijn retour. Maar toch bekruipt je het adembenemende gevoel naar een stem van een andere planeet te luisteren, die door een onverklaarbare speling van het lot op een cd-schijfje is beland.

Ha, ha, ha, ha, snee in me lijf.

Toen Saturday Night Fever uitkwam, deed het mij, prille puber, destijds niet echt veel. Het vormde wel eens deel van het geluidsdecor bij zoen- en vingerfeestjes, thuis bij iemand wiens ouders de hort op waren. Een bijzin in de poëzie van de jeugd, kortom. Voor het overige was ik in mokkend stilzwijgen in afwachting van de punk, zoals de Azteken ook de komst van Hernán Cortes voorvoelden. Maar als ik Saturday Night Fever nu beluister, word ik aangenaam getroffen door de ongedwongen en schaamteloze lijpheid van de muziek. En ik word vertederd door het patina van aandoenlijkheid, dat alles waar de tand des tijds een hap uit heeft genomen nu eenmaal aankleeft.

Maar wat overheerst is lacherig afgrijzen. Die interieurs in de jaren zeventig waren dus niet alleen in mijn herinnering zo lelijk, het was echt zo. De schrootjes tot op borsthoogte aan de wanden van de dansschool. Oranje, met paars en bruin geverfde muren. Bakken formica, het meest onwaarschijnlijke zitmeubilair. Oversized brilmonturen met rookglazen, zuurstokroze, te krap zittende, jeukerige truitjes. Kapsels die tot halverwege over de oren reiken en daar in een rechte lijn zijn afgeknipt. Toentertijd vond ik dat vrij normaal, het was per slot het decor van mijn jeugd. Maar nu pas dringt de vlaag van collectieve designsverbijstering waarin men was gedompeld in volle omvang tot mij door. Het is een concept van proporties dat ogenschijnlijk helder redeneert: peper in het eten is lekker. Hoe meer peper je in het eten gooit, hoe lekkerder het eten wordt. Ketchup is lekker bij het eten. Mosterd, appelmoes, slagroom en ansjovis-tapenade ook. Bij elkaar: zó'n maaltijd.

In Saturday Night Fever wordt vreemd genoeg een aantal malen gerefereerd aan de films van Stanley Kubrick. Allereerst herinnert de naam van de discotheek aan Kubricks science-fiction-meesterwerk 2001, A Space Odyssey uit 1968. En als Tony Manero voor de eerste maal in de film zijn geliefde disco binnenstapt, klinkt daar op de dansvloer A Fifth of Beethoven, Walter Murphy's versie van Beethoven's Vijfde Symfonie, voorzien van een gespierde discobeat. Deze muziek klinkt ook regelmatig in A Clockwork Orange (1971), als de vandalen op pad gaan in Kubricks gewelddadige verfilming van de novelle van Anthony Burgess. Het toevoegen van een stevige ritmische laag aan thema's uit het klassieke repertoire was een veelvuldig gehanteerd stijlmiddel in de popmuziek van de jaren zeventig. David Shire vervaardigde voor Saturday Night Fever het hypermelige Night on Disco Mountain, gebaseerd op Moessorgski's symfonische gedicht Nacht op de kale berg (1867). In ons land speelde de band Eksepsion versies van Bach-stukken waarbij de carburateur was uitgevijld en het vermogen van de motor opgevoerd. Legendarisch in dit genre is het album Rhythm & Classics van Louis Clark en het Royal Philharmonic Orchestra, waar de uitvoering van Katsjatoerians Sabeldans aan hartkloppingen en een overdosis speed dreigt te bezwijken.

Dat is wellicht de geruststellende boodschap die het disco-tijdperk voor ons in petto heeft: het kan allemaal nog veel erger, nog oneindig veel groezeliger en lelijker. En het bevat ook een hint voor beleidsmakers die klassieke muziek door de strot van mensen proberen te duwen die daar helemaal niet op zitten te wachten. Dat kan allemaal nog véél smakelozer. En inventiever. Weg met de conscientieuze gêne, leve de disco.

De musical `Saturday Night Fever' gaat op 24 juni in première in het Beatrix Theater in Utrecht en wordt daar voor onbepaalde tijd gespeeld. Inl. en res. 0900-3005000 of www.saturday-night-fever.nl.