Satirische dieptebom

De beste voedingsbodem voor satire is een conservatieve, flink gepolariseerde samenleving. In Nederland, waar extremen meteen onder het polderpolitieke tapijt worden geveegd en tolerantie naadloos overloopt in onverschilligheid, wil de satire niet echt gedijen. Alleen een Robbie Muntz, die als Hitler met flessen Zyklon B door Wenen loopt te zeulen, weet tv-kijkers nog de kast op te jagen. Nee, dan Amerika. In dit land van religieuze fundamentalisten, reactionaire fatsoensrakkers en politiek correcte krentenwegers staan nog zoveel heilige huisjes overeind, dat satirici de conflicten en taboes voor het uitzoeken hebben.

Michael Moore weet als geen ander zijn doelen te kiezen. In zijn debuutfilm Roger & Me uit 1989 richtte hij zijn pijlen op Roger Smith, de directeur van General Motors die verantwoordelijk was voor de sluiting van de autofabriek in Moore's geboortestad Flint en daarmee het verlies van 30.000 banen. In de drie jaar geleden door de VPRO uitgezonden serie TV Nation moest ook de rest van corporate America eraan geloven. En die trend wordt onverminderd voortgezet in de nieuwe serie The awful truth.

Een zekere kennis van de Amerikaanse actualiteit van vorig jaar is vereist om maximaal te genieten van The awful truth. En sommige items zijn inmiddels door de actualiteit ingehaald. Maar dat doet niks af aan Moore's onmiskenbare satirische talent. Hij is politiek geëngageerd zonder stoffig, bitter of betweterig te zijn. Als een volleerd Jehova-getuige zet hij zijn voet tussen de deur bij de National Rifle Association of de religieus rechtse presidentskandidaat Gary Bauer om zich eenmaal binnen te ontpoppen tot provocateur van de bovenste plank. Zijn sullige uiterlijk is daarbij een belangrijk wapen. Met een pafferig, ongeschoren hoofd en gekleed in afgetrapte gympies, versleten spijkerbroek en eeuwige baseballpet is hij een satirische wolf in schaapskleren.

Bij vlagen is The awful truth ronduit absurdistisch. Zoals wanneer Moore met een vrachtwagenlading wild springende punkrockers presidentskandidaten bezoekt en ze uitnodigt een potje te crowdsurfen, een verzoek dat overigens alleen door de oerconservatieve dominee Alan Keyes wordt ingewilligd. Veel bijtender is het item The African American Wallet Exchange, waarin Moore op de straten van New York gratis fel oranje portemonnees uitdeelt aan zwarte stedelingen. Hiermee haalt de cineast uit naar de lokale politie die vorig jaar de Afrikaanse emigrant Amadou Diallo met overdadig veel kogels doorzeefde toen zijn poging zijn portefeuille te pakken geïnterpreteerd werd als een greep naar een wapen. Ook de dienders van Connecticut moeten het ontgelden, waar de filmmaker een bureau bezoekt dat een aspirant-politieman afwees omdat zijn IQ te hoog was. Moore toont vervolgens aan hoe dom je moet zijn om in de betreffende staat wel `badge and gun' te mogen dragen.

Dat Moore oog en oog met de alledaagse Amerikaanse waanzin zijn humor weet te bewaren is op zich al bewonderenswaardig. Maar dat hij hem weet te cultiveren tot een subtiele variant die als een dieptebom schijnbaar onschuldig afdaalt alvorens te exploderen, kan met recht kunst genoemd worden. Met de verkiezing van Bush kan de satiricus weer minstens vier jaar verder slijpen aan zijn kritische vermogens.

The awful truth, VPRO, Ned.3, 19.30-20.00u.