Preventief fouilleren `juridisch op de rand'

Al eerder wilden Kamerleden verder gaan dan de minister op het gebied van preventief fouilleren. Ook toen zag de minister gevaren voor de rechtsstaat.

Mag je zomaar een woonwijk afgrendelen en iedereen die er in of er uit wil preventief fouilleren op wapens? Minister Korthals (Justitie) en zijn toenmalige collega van binnenlandse zaken Peper namen eind november 1999 in de Rotterdamse Millinxbuurt de proef op de som. Buurtbewoners leken er weinig moeite mee te hebben maar juristen sloegen direct alarm. Voor fouilleren is altijd een bepaalde verdenking vereist.

De Amsterdamse hoogleraar strafrecht Stolwijk: ,,Als er in een bus is geschoten mag elke passagier worden gefouilleerd, als er een schietpartij is kan de politie een buurt afzetten. Maar fouilleren als er niets is gebeurd? Dan zit je juridisch op de rand. Of eigenlijk er over heen''.

Deze analyse werd bevestigd door de Rotterdamse rechter. De rechter in Amsterdam deed dat nog eens dunnetjes over in het geval van wapencontroles in de zogeheten K-buurt in de Bijlmer. Het Wetboek van strafvordering zegt dat dwangmiddelen als onderzoek aan lichaam of kleding alleen zijn toegestaan bij een sterke verdenking (,,ernstig bezwaar'') tegen de verdachte. De wapenwetgeving is wat ruimer bemeten, maar vergt toch altijd nog een gerichte aanwijzing.

Minister Korthals besloot na het proefproces de wet te wijzigen om preventief fouilleren mogelijk te maken. Het Kamerlid Van de Camp (CDA) wilde daarop niet wachten en diende een initiatiefvoorstel in. Beiden voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar de politie gedurende een bepaalde tijd preventief mag fouilleren op wapens. De verschillen zitten in de waarborgen: de rol van de rechter, de betrokkenheid van de gemeenteraad. Op beide punten is het Kamerlid minder strikt dan de minister.

Preventieve politiebevoegdheden zijn een oude CDA-wens. In 1982 vroeg het Kamerlid Faber om een regeling van preventief arresteren bij dreigende verstoring van de openbare orde. Aanleiding was het preventief oppakken van een aantal mensen bij een bezoek van koningin Beatrix aan Breda op Koninginnedag 1981. Minister van justitie De Ruiter (ook CDA) antwoordde koeltjes daar niet over te denken aangezien het oppakken van niet-verdachte personen ,,op gespannen voet met de grondbeginselen van de rechtstaat'' staat. Deze overweging bleek vorig jaar echter onder druk van het Europese voetbalkampioenschap geen beletsel voor een wet die voorziet in zogeheten ,,bestuurlijke ophouding'' van mogelijke relschoppers. En niet alleen bij een EK.

Het argument van de rechtstaat wordt ook door minister Korthals in stelling gebracht tegen de huidige aandrang uit de Kamer, inclusief de PvdA, om een ruime variant voor preventief fouilleren te kiezen. Een praktische vraag is of de ruime wetgevingsvariant niet botst met het Europees vedrag voor de mensenrechten. Dit gaat boven de Nederlandse wetgeving. Het Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg heeft over dit verdrag het laatste woord. Nederland heeft er hardhandig mee kennis gemaakt in het geval van de anonieme getuige.

Een belangrijk verschil tussen Korthals en Van de Camp is dat het Kamerlid het preventief fouilleren trekt in de bestuurlijke sfeer terwijl de minister veeleer uitgaat van het strafrecht, waar van oudsher striktere spelregels voor overheidsoptreden gelden. Met het verschil van invalshoek hangen verschillende accenten in de controle op de nieuwe bevoegdheid samen. De minister legt het accent op rechterlijk verlof vooraf terwijl het Kamerlid meer naar de gemeenteraad kijkt.

Korthals en Van de Camp waren elkaar inmiddels een eind genaderd. De Kamer heeft de sluimerende controverse echter op scherp gezet na moties van D66 en ChristenUnie. Als zowel de rechterlijke controle (D66) als inspraak van de gemeenteraad (ChristenUnie) worden afgeschoten, wordt de waarschuwing van Korthals tegen wetgeving in de constitutionele gevarenzone actueel.