Overleven door beleefdheid

De film `The King Is Alive' komt uit de stal van de Deense rebellenclub DOGMA95.

Een bus met tien toeristen (voornamelijk Engelsen, enkele Amerikanen en een Française) strandt in de woestijn van Namibië. Achthonderd kilometer van de bewoonde wereld nemen de passagiers en hun zwarte chauffeur bezit van de barakken van Kolmanskop, een in de jaren twintig verlaten diamantmijnnederzetting. Zonder benzine, telefoon of radio, maar met een voorraad worteltjes in blik en dauw als water moeten ze er het beste van hopen. Een theaterregisseur (David Bradley) kent de tekst van King Lear bijna uit zijn hoofd, en gaat een voorstelling ensceneren die de naakte onttakeling van de personages weerspiegelt.

Volgens de Deense regisseur van The King Is Alive, Kristian Levring (1957), ontwikkelden zich er tijdens de opnamen op locatie in Namibië processen die te vergelijken zijn met de mentale striptease van Lear en van de personages. De tijdens het filmfestival van Cannes 2000 voor het eerst vertoonde film is de vierde die beantwoordt aan de regels van DOGMA95, een manifest dat meer authenticiteit bepleit bij de totstandkoming van films. Levring was een van de vier oorspronkelijke ondertekenaars. Eerdere DOGMA-films werden gemaakt door Lars von Trier (Idioterne/The Idiots), Thomas Vinterberg (Festen) en Søren Kragh-Jacobsen (Mifune). Ook de Amerikaanse film julien donkey boy van Harmony Korine verkreeg inmiddels het DOGMA-certificaat, als bewijs dat de regisseur alleen direct geluid heeft gebruikt, geen rekwisieten of kostuums speciaal heeft laten maken en uitsluitend natuurlijk licht liet schijnen. Maar The King Is Alive is de eerste Engelstalige DOGMA-film met een aantal internationale sterren in de cast: de Amerikaanse Jennifer Jason Leigh, de Franse Romane Bohringer en de Britse theateractrice Janet McTeer, die na de opnamen sterstatus verwierf door een Oscarnominatie voor haar rol in Tumbleweeds.

Volgens Levring stonden de sterren zo ongeveer in de rij om een keer in een DOGMA-productie te mogen spelen. Tot zijn verbazing bleek bij een casting in Johannesburg voor twee rollen van zwarte acteurs iedereen daar heel goed op de hoogte van het Deense manifest. Ook verschillende sterren gaven van hun belangstelling blijk, omdat de manier van draaien acteurs veel meer ruimte geeft dan bij een traditionele productie. De (digitale video)camera past zich in een DOGMA-film aan bij de bewegingen van de acteurs, die normaal gesproken altijd rekening moeten houden met de beperkingen van licht, geluid en mise-en-scène. Toch zegt Levring zijn acteurs niet te hebben uitgekozen op hun bekendheid en waarde aan de kassa, maar uitsluitend omdat hij ze goed vond.

Jennifer Leigh

Op het dak van het Noga Hilton-hotel in Cannes stond Jennifer Jason Leigh (1963) een internationaal persgezelschap te woord. Natuurlijk was ze heel enthousiast over de manier van werken bij The King Is Alive, en zag ze veel mogelijkheden om dezelfde ideeën toe te passen bij meer films, zowel in Europa als in Amerika. Inmiddels regisseerde ze samen met tegenspeler Alan Cumming (de Schotse acteur, die ook te zien was in films als het Nederlandse For My Baby van Rudolf van den Berg, en in Kubricks Eyes Wide Shut) zelf haar eerste film, The Anniversary Party. Het kleinschalige verhaal over een jubilerend echtpaar (gespeeld door beide regisseurs) dat veel stormen heeft doorstaan, leent zich uitstekend voor een DOGMA-achtige aanpak, maar Leigh committeert zich niet volledig aan de in het manifest gestipuleerde regels.

Je kunt je goed voorstellen dat Levring gecharmeerd was van de acteerkwaliteiten van Leigh. In al haar eerdere films volgde ze de aanpak van de Strasberg Studio, waar ze begin jaren tachtig lessen volgde in Method Acting. Of je haar nu ziet als de schrijfster Dorothy Parker in Mrs. Parker and the Vicious Circle (Alan Rudolph, 1994), de moeder die haar kind voert terwijl ze hijgt aan de sekstelefoon in Short Cuts (Robert Altman, 1993), als een `roommate from hell' in Single White Female (Barbet Schroeder, 1992) of een mislukte zangeres in Georgia (Ulu Grosbard, 1995), altijd voel je de gedegen voorbereiding en de bereidheid om de grens van het traditionele filmacteren te overschrijden.

Fluisterstand

Aan tafel bij een groepsinterview blijft Leigh ook acteren. Ze speelt cool, houdt zonder veel klimatologische aanleiding haar zonnebril op en zet de volumeknop op fluisterstand: ,,Er is een groot verschil tussen de vrijheid die je van een regisseur als Robert Altman krijgt en de druk bij een gemiddelde studioproductie, maar ook dan moet je nog altijd rekening houden met de belichting en staan er kruisjes op de vloer. Werken aan een DOGMA-film betekent totale vrijheid, je merkt niet eens dat er een camera is.''

Zoals veel van haar personages is ook Gina in The King Is Alive op het eerste gezicht een bimbo, een dom blondje met een hart van goud, maar bij nader inzien toch slimmer dan je zou vermoeden. Volgens Levring is Gina het zuiverste personage: ,,Ze wil meer dan wie ook graag in het toneelstuk spelen. Omdat alle mannen in de woestijn op haar vallen, zou het stuk zonder haar niet doorgegaan zijn. Maar het personage moet die zuivere ambitie wel zwaar bekopen, dat is haar tragiek.''

Leigh zegt nog nooit in haar leven Shakespeare te hebben vertolkt, en dat ze, net als haar personage, een gevecht moest leveren om zich de taal eigen te maken. De tweede laag van Leighs personages, de intelligentie en doordachtheid, blijft bij een werkelijke ontmoeting verborgen. Tegenover de pers blijft ze het kindvrouwtje, dat klaagt dat de e-mail het niet deed in de woestijn, haar hondje thuis moest blijven en het eten te veel olie bevatte, zodat ze moest leven op een dikmakend dieet van kaas en crackers. Even later zal Patricia Kruijer, de Nederlandse producente van The King Is Alive, die samen met Levring in Londen een filmmaatschappij heeft opgezet, me de foto's laten zien van rijk gevulde en keurig gedekte tafels, om aan te tonen dat er weinig mis was met de catering in Namibië.

Leugenachtig

Een dag daarna nam Levring alle tijd om me uit te leggen dat de leugenachtigheid van een DOGMA-film eigenlijk nog een stap verder gaat dan die van een gewone productie: ,,Door de spontane cameravoering vergeet je bijna dat er toch een stel professionele acteurs net doen alsof ze uitgehongerd en wanhopig zijn. DOGMA is aanvankelijk bedacht als een grap. Ik ken Lars von Trier al sinds we samen de filmschool bezochten, en we wilden alleen maar eens de aandacht vestigen op het feit dat alle films, waar ook ter wereld, op elkaar begonnen te lijken. In feite is DOGMA minder interessant voor het publiek dan voor de filmmakers zelf: het is een kuur tegen het gif van de techniek en van de overmaat aan kunstmatigheid. Je kunt als filmmaker die kuur een keer doen, en dan is het een verrijkende ervaring, maar ik geloof niet dat er veel regisseurs zijn die tweemaal een DOGMA-film zouden willen maken. Daarna kun je die nieuwe ervaring en inzicht gaan toepassen bij volgende films.''

In dezelfde editie van het festival van Cannes presenteerde Lars von Trier Dancer in the Dark: geen DOGMA-film, maar een grootscheepse musical die mede het resultaat is van zijn DOGMA-kuur. Levring, die zijn carrière begon als editor van de bekende Deense documentairemaker J⊘rgen Leth en lange tijd in Engeland en Amerika commercials maakte, schrijft het succes van de Deense film (`wacht maar af, de eerste DOGMA-films zijn nog maar een voorbode van de explosie van talent die eraan zit te komen!') vooral toe aan de kwaliteiten van de Deense Filmschool: ,,Natuurlijk waren Lars en ik daar rebellen, die zich omstandig beklaagden over de manier waarop we les kregen, maar ik geloof dat ik achteraf moet toegeven dat DOGMA zonder die school nooit tot stand had kunnen komen.''

Levring zegt in Amerika vaak aanbiedingen te hebben gekregen om actiefilms te regisseren, bij voorbeeld voor producent Jerry Bruckheimer of de maatschappij Propaganda Film: ,,De jongensdroom om helikopters te mogen regisseren, en veel special effects te dirigeren, die heb ik afdoende uitgeleefd in mijn commercials. Ook videoclips hebben me nooit erg aangesproken, omdat het verhaal zich dan moet richten naar de beelden en de muziek, in plaats van andersom. Het verhaal, dat is voor mij het allerbelangrijkste. In zekere zin is The King Is Alive ook een film over vertelkunst, over de noodzaak om juist in extreme omstandigheden elkaar verhalen te blijven vertellen. In de concentratiekampen, zo heb ik begrepen, waren de overlevers vaak niet degenen die bereid waren om zich als beesten te gedragen, maar degenen die elkaar 's morgens beleefd goedemorgen wensten. Taal is wellicht de belangrijkste drager van beschaving, en beschaving een goed middel om je te handhaven in barbaarse omstandigheden.''

De acteurs in The King Is Alive hebben zeer verschillende achtergronden. Levring noemt als de meest extreme voorbeelden Brion James, de in augustus 1999 aan een hartaanval overleden Amerikaanse bijrolacteur uit actiefilms als Blade Runner en Paul Verhoevens Flesh + Blood – toevallig ook tegenover Jennifer Jason Leigh – en aan de andere kant Janet McTeer, een gelouterd Shakespeare-vertolkster: ,,Naast hun onderlinge verschillen hadden ze een overeenkomst, namelijk de bereidheid om risico's te nemen en zich niet te laten intimideren door hun eigen ijdelheid. Voor McTeer is het geen probleem om een stuntelige interpretatie van Cordelia te geven, ze weet toch wel dat iedereen weet dat ze het ook goed zou kunnen doen. Voor minder ervaren theateracteurs is net doen alsof je slecht speelt riskant. Jennifer Jason Leigh zei na afloop iets dat ik als een compliment beschouw: namelijk dat ze nog nooit zo aardig was geweest in een rol als in The King Is Alive.''

`The King Is Alive' is vanaf 21 juni te zien in Het Ketelhuis, Amsterdam en mogelijk nog enkele bioscopen.