Opslag van het universum

,,,,Hoera, ik heb het eerste deel in huis/ tot en met Boe kan niemand mij wat maken...'', dichtte Karel Bralleput, pseudoniem van Simon Carmiggelt. Aldous Huxley las voor hij ging slapen altijd een minuut of tien in de Encyclopaedia Britannica. Diderot en d'Alembert wilden de hele wetenschap van hun tijd te boek stellen, en daaruit is de beroemdste aller encyclopedieën ontstaan. Toen ik een jaar of zes was, begon de vijfde druk van de Winkler Prins te verschijnen. Daaraan heb ik een paar van mijn verslavingen te danken: aan prehistorische dieren, vliegtuigen en schepen. In deel vier ontdekte ik de brontosaurus, 24 meter, als ik me niet vergis. Die werd in het volgende deel overtroffen door de diplodocus, 32 meter. Intussen had ik kennisgemaakt met de negentiende-eeuwse Franse tekenaar Chevalier, die onder de naam Garvarni publiceerde. Bij het artikel in de vijfde druk staat een tekening van hem afgedrukt, een rennend mannetje op spillebeentjes en met een grote bos haar. Betoverend. Toen kreeg ik de drie delen Wat is dat? Een encyclopaedie voor jongeren. Niet veel bijzonders, na de Winkler Prins. Mijn grootvader had de twee delen Petit Larousse. Die waren met hun typografie en illustraties het mooist. Tot zover mijn encyclopedische memoires.

In 1993 is de laatste editie van de gedrukte WP verschenen, negentien delen voor 4.550 gulden. Nu staat de encyclopedie onder de naam Encarta op cd-rom. Voor plusminus f130.- ben je de eigenaar. De eerste versie is verschenen in 1998 en ieder jaar komt er een nieuwe. Dat is een verdediging waarvan Karel Bralleput niet heeft kunnen dromen. De gedrukte encyclopedie, zeggen degenen die het weten kunnen, heeft zijn tijd gehad. Maar nu: verrassing! In februari is de Encarta door Reed Elsevier verkocht aan PCM (het bedrijf dat ook deze krant uitgeeft). Er wordt een nieuwe papieren druk overwogen. ,,Maar dan in drie delen in plaats van de 26'', verklaart Sander Bekkers, woordvoerder van de uitgeverij in de Volkskrant van 6 juni. Want `dat verkoopt beter'. Allicht. Je kunt van een uitgever in deze tijd niet vergen dat hij aan een vijfjarenplan voor een project van twintig delen begint.

Zo'n uitgave in drie delen heeft zijn attracties. Er is een tweedelige Verschueren, het Belgische encyclopedisch woordenboek in het Nederlands, dat we kunnen vergelijken met de Petit Larousse. Twee prachtige delen, met een heldere typografie, scherpe illustraties in kleur en zwart-wit, en volkomen gespeend van de flauwekul der designers. De Verschueren is een paar jaar geleden door Philips op een schijf gezet die de concurrent van de cd-rom had moeten worden. Die onderneming is mislukt, jammer genoeg, want wat de Verschueren en Philips ervan hadden gemaakt, was het aanzien en gebruik waard. Zo kon je J.F.Kennedy horen zeggen: `Ich bin ein Berliner'. Een geïllustreerd verklarend woordenboek en een cd horen bij elkaar, als een harmonische vereniging van oude en nieuwe tijd, drukpers en computer, de voordelen in één casette verenigd. Een WP in drie delen met cd-rom kan dus heel mooi worden.

Zo kom ik op twee eigenschappen van het gedrukte werk die het digitale zich nog moet verwerven. Papieren encyclopedieën en ook dictionaires zijn behalve naslagwerken ook leesboeken. Zoek je digitaal, dan zoek je gericht. Je tikt een woord in, geeft het bevel en als het goed is, legt de zoekhond de buit in je scherm. Surfen door een digitale encyclopedie of woordenboek kan wel, maar het is een gedoe; alsof je door een druk versierde straat loopt. Dat kan ik geen lezen noemen. Een vroegere druk van de grote Van Dale heeft als motto een citaat van J.J.Peereboom, waarin hij aanbeveelt iedere dag even in het woordenboek te lezen. Dat bedoel ik.

En dan: de echte grote encyclopedie – Larousse, Britannica, WP – is meer dan een naslagwerk. In wezen, of oorspronkelijk zoals bij Diderot en de zijnen, hebben we te maken met een onderneming die bedoeld is om de Schepper te tarten. Zijn hele werk werd doorgrond en beschreven in enkele tientallen kilo's papier, die iedereen op reis in zijn koets mee kon nemen. Het samenstellen van een encyclopedie, hoe rationeel dat werk ook is, wortelt in het magische denkbeeld dat de makers daarmee de schepping in hun zak hebben gestoken.

Dat hoeft niet per se door middel van een encyclopedie te gebeuren. Het kan ook door een collectie van waandenkbeelden op te schrijven, zoals Flaubert in zijn Bouvard et Pécuchet en in zijn correspondentie heeft gedaan. Of Harry Mulisch met zijn De compositie van de wereld. ,,Opeens wist ik alles'', zei de schrijver later in een vraaggesprek. Dat was geen hybris. Dat kan je overkomen, als je geluk hebt. Het verzameld werk van Leonardo is op deze manier een encyclopedie op zichzelf. Leonardo wist alles.

We dwalen af. Het universum in een stuk of twintig dikke boeken samenpersen is een achterhaalde methode. Op cd-rom gaat het beter, en als je die combineert met een laptop is het universum ook draagbaar geworden. Toch bewaar ik mijn oude encyclopedieën, om er gewoon in te lezen.