Noem me geen nostalgicus

In zijn roman `The Rotters Club' ontdekte Jonathan Coe dat het leuker was om te schrijven over de `seventies'dan over de `eighties'.

Een moderne Evelyn Waugh is hij genoemd, omdat hij met bijtende humor de Engelse samenleving de maat nam in romans als What A Carve Up! en House of Sleep. Een hedendaagse Joyce, omdat hij zijn voorliefde voor stijlvariaties in zijn laatste roman, The Rotters' Club, liet uitmonden in een puntloze monoloog van veertig bladzijden. En een Proust van de populaire cultuur, omdat hij in The Rotters' Club nauwgezet een jeugd in de jaren zeventig opriep, en daar in een essay in The Sunday Times aan toevoegde dat hij terugverlangde naar die verloren tijd, naar `het decennium van de oprechtheid', toen de wereld nog niet was aangevroten door cynisme en de mensen zich niet verloren in oeverloos relativeren.

Jonathan Coe (Birmingham, 1961) is een grote naam in zijn geboorteland, en een gelauwerd schrijver in Frankrijk en Italië, waar hij vorige maand tijdens de boekenbeurs van Turijn optrad op de avond dat Harry Mulisch het publiek deed weglopen (Coe: ,,That man lost me my audience'). In Nederland is hij nog steeds een Geheimtip, ondanks vertalingen van What A Carve Up! (Het moordende testament, 1994) en House of Sleep (Het huis van de slaap, 1997); maar daar moet haast wel verandering in komen met de vertaling van De Rotters Club, het tragikomische verhaal van drie schoolvrienden uit Birmingham die opgroeien in het tijdperk van Old Labour en In de ban van de ring – de jaren van IRA-terrorisme, Koude Oorlog en symfonische rock.

De 39-jarige Coe was zelf jong in het Birmingham van de jaren zeventig, maar dat maakt De Rotters Club nog niet tot een autobiografische roman. ,,Ik heb geen aandrang om de lezer te vervelen', zegt hij. ,,Mijn leven is niet bijzonder geweest,ik kan het alleen bijzonder maken door er literair op voort te bouwen.' Wel stopte Coe veel van zichzelf in de hoofdpersoon Benjamin Trotter, de onzekere jongen die klassiek componist wil worden en zichzelf omschrijft als `een toeschouwer bij andermans verhalen'. Maar de schokken waarmee Ben volwassen wordt – een bomaanslag die zijn zusje treft, de opkomst van de punkrock, de politieke confrontaties in de late jaren zeventig (de `Winter of Discontent') – gingen aan zijn schepper voorbij. ,,Mijn jeugd, in een vierpersoonsgezin uit de hogere middenklasse, was heel beschermd; mijn ouders waren geïnteresseerd in literatuur en muziek, nauwelijks in politiek, en op mijn school luisterde je naar Yes en Genesis, of als je heel hip was naar Roxy Music. Met de scherpe kanten van de jaren zeventig heb ik weinig te maken gehad.'

Perfide

Toch maakte Coe de roerige jaren zeventig tot onderwerp van zijn zesde roman, die, zo vertelt hij, oorspronkelijk opgezet was als een roman-fleuve in zes delen. Coe wilde zijn personages volgen van het eind van de jaren zestig tot het jaar 2000, maar realiseerde zich al snel dat hij daarmee te veel op het terrein van zijn voorgaande romans kwam. What A Carve Up!, een modern griezelverhaal over de ondergang van de perfide adelsfamilie Winshaw, is een satire op de hebzucht en het egoïsme van de jaren tachtig, toen Margaret Thatcher als premier de verzorgingsstaat afbrak. House of Sleep, dat met humor en medeleven laat zien hoe het leven van de bewoners van een studentenhuis in tien jaar tijd verandert, speelt zich beurtelings in de jaren tachtig en de jaren negentig af. Eigenlijk had Coe alleen de jaren zeventig nog niet behandeld. ,,En laat ik nu net op een leeftijd zijn dat je begint terug te kijken op de jaren die je gevormd hebben.'

De seventies bleken veel leuker om over te schrijven dan de eighties. Coe: ,,Toen ik What A Carve Up! schreef was de tijd van Thatcher nog maar net voorbij. Ik miste iedere distantie, en zat vol woede, die ik koste wat kost op papier wilde krijgen. Hoeveel grappen er ook in staan, er is voortdurend een pikzwarte ondertoon. Bij The Rotters' Club was ik veel ontspannener. Ik schreef over verschrikkelijke dingen, van de Tavern in the Town bombing [1974] tot de stakingsrellen bij British Leyland, maar ik stond niet op de preekstoel en ik had geen appeltjes te schillen. Bovendien is het dankbaarder werk om te schrijven over de vrolijke muziek en mode van de jaren zeventig dan over de veel grimmiger cultuur van de jaren tachtig.'

`Godvergeten vreemd' noemt een van de personages uit De Rotters Club achteraf de tijd waarin hij opgroeide. En Coe is het met hem eens. ,,Achttien jaar thatcherisme hebben Engeland onherkenbaar veranderd. Midden jaren zeventig waren de vakbonden oppermachtig en vierde de solidariteit hoogtij; maar het land zuchtte onder stakingen, power cuts en alledaags racisme waarvan niemand opkeek. De tijd was `ungodly strange' omdat Engeland zich in de laatste fase van een soort primitivisme bevond, politiek maar ook raciaal en seksueel. De economie is nu gemoderniseerd, en de relaties tussen de rassen en de seksen zijn veel verfijnder, maar in The Rotters' Club werp ik twee vragen op: hoe diep gaat dat raffinement? en: heeft het ons eigenlijk wel iets goeds gebracht?'

Gejodel

,,Noem me geen nostalgicus', zegt Coe (vriendelijk gereserveerd, op en top een Engelsman) als hij even later in een Amsterdams krakerscafé achter een cappuccino zit. ,,Ik verlang echt niet terug naar de economische chaos van de jaren zeventig, naar de navelstaarderij, of naar het gejodel van Thijs van Leer dat voor progressieve muziek moest doorgaan. Maar dat neemt niet weg dat we sindsdien wel wat zijn kwijtgeraakt. Het vermogen om jezelf serieus te nemen bijvoorbeeld. De Britse cultuur heeft een cocon van ironie om zich heen gesponnen. Niemand durft zich nog ergens over uit te spreken, want er is zogenaamd geen verschil meer tussen hoge en lage cultuur of tussen linkse en rechtse politiek. De jaren zeventig hadden wat ik een `komische ernst' heb genoemd. Jongetjes als ik verdiepten zich fanatiek in de pompeuze 30-minutensymfonieën van Yes; volwassenen wilden de wereld verbeteren door eindeloos te discussiëren. Dat klinkt nu grappig, lachwekkend zelfs. Maar soms moet je belachelijk durven zijn om iets serieus over het voetlicht te brengen.'

Hoewel hij nooit iets van ze gelezen heeft, is Coe het hartgrondig eens met de zogeheten post-ironici uit Amerika – schrijvers als Rick Moody (Purple America) en Dave Eggers (A Heartbreaking Work of Staggering Genius) die de ironie en de daarmee gepaard gaande morele overschilligheid in hun boeken hebben afgezworen. Coe: ,,Als het aan mij ligt, gaan we terug naar de ironie van de 18de eeuw. Voor schrijvers als Henry Fielding – op wiens Tom Jones ik ooit ben afgestudeerd – was ironie een instrument bij het vellen van morele oordelen; hij nam altijd een standpunt in, meestal tegen de hypocrisie van zijn schrijvende of politiek bedrijvende tijdgenoten. Tegenwoordig is ironie een excuus om je oordeel op te schorten – de ergste uitwas van een een postmoderne levenshouding.'

Coe onderstreept dat zijn literaire expedities naar de achter ons liggende decennia altijd bedoeld zijn om iets te zeggen over het Engeland van vandaag.,,Te weinig Britse schrijvers plaatsen het moderne leven in een breder perspectief. De boeken van iemand als Nick Hornby lees ik graag, maar ze zijn wel erg beperkt en individualistisch. Mijn ideaal is de roman die het leven van het individu verweeft met de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Er zijn wel auteurs die dat doen, zoals Matthew Neale in het voor de Booker Prize genomineerde English Passengers, of Rose Tremain in Music & Silence, maar die plaatsen hun verhalen opvallend genoeg in het verre verleden. Mijn volgende roman, het vervolg op The Rotters' Club, zal zich trouwens nog directer op het hier en nu richten – het wordt een `Twintig jaar later' over de personages die we in de jaren zeventig hebben leren kennen.'

Harry Potter

Het werk van Jonathan Coe is wel omschreven als `an exploration of Englishness', niet alleen omdat hij altijd over Engeland schrijft maar ook omdat hij een voorliefde heeft voor `typisch Britse' genres als de satire op de klassenmaatschappij, de campus novel, en de (kost)schoolroman. ,,Het is sterker dan ikzelf', zegt Coe met een glimlach. ,,Natuurlijk is het onzin om te denken dat ik een lijstje van Engelse onderwerpen en genres afwerk. Zo heb ik altijd al een roman op een middelbare school willen situeren; als jongetje smulde ik van de Jennings-serie, de Harry Potter van de jaren vijftig, en een van mijn favoriete films is Lindsay Andersons If..., met Malcolm McDowell in de hoofdrol. Een school is een gesloten gemeenschap en tegelijkertijd een mooie microcosmos van de maatschappij. Maar de critici kunnen gerust zijn: als het vervolg op The Rotters' Club af is, werp ik me op een roman die zich helemaal afspeelt op het Europese vasteland. Zoals de Britten tegen wil en dank de Europese Unie worden binnengesleept, zo zal ik vloekend en tierend de Europese roman omhelzen.'

Het voornaamste thema van De Rotters Club, het verlies van de onschuld, is overigens universeel. En zoals dat hoort in een goede Bildungsroman wordt het op verschillende niveaus uitgewerkt. Ben en zijn vrienden Doug en Phil blunderen door het leven en de liefde, terwijl op de achtergrond in Engeland de laatste resten naïviteit verloren gaan. Coe: ,,Aan het eind van het boek laten we Ben achter op een moment dat de grote teleurstelling in zijn leven nog moet komen; hij is net naar bed geweest met het meisje op wie hij jarenlang hopeloos verliefd is geweest. Het is de dag van de verkiezingen in 1979 die de Tory's aan de macht zullen brengen, en in een café worden hem 's middags twee dingen voorspeld: dat hij altijd gelukkig zal blijven met zijn nieuwe vriendin, en dat Margaret Thatcher `nooit premier van dit land' zal worden. Ja, dat is inderdaad bedoelde ironie.

,,Thatcher gaf Engeland een schop onder de kont, ze was ervan overtuigd dat we politiek en economisch niet zo door konden gaan. Misschien had ze geen ongelijk, maar ze was een olifant in de porseleinkast. In The Rotters' Club trek ik een parallel met de opkomst van de punk. Natuurlijk was het goed dat de pompeuze muziekscene eens flink door elkaar geschud werd, maar waarom moest alles meteen met de grond gelijk gemaakt worden?'

Schoolopstellen

De Rotters Club is niet alleen een dik, maar ook een vol boek. Behalve aan Ben, Doug en Phil worden we voorgesteld aan tientallen andere personages, van vakbondsleiders tot muziekjournalisten, die tezamen een representatieve doorsnede van Engeland in de jaren zeventig vormen. Bovendien haalt Coe alle mogelijke vertelvormen uit de kast: dagboekaantekeningen, passages met een alwetende verteller, brieven, nieuwsberichten, schoolopstellen en monologen. Is Coe bang om de lezer te vervelen?

,,Zeker. En ik ben al helemaal bang om mezelf te vervelen. In de roman zegt Doug: `Subtiliteit is de Engelse ziekte', en ik zou daar aan toe willen voegen dat subtiliteit in fictie dodelijk kan zijn. Geef mij maar het credo van Billy Wilder: `Make the subtleties obvious'. Ik hou van groots opgezette romans en wilde pennestreken. Er zijn al te veel boeken waarin niets gebeurt, te veel schrijvers die bang zijn om voor vulgair versleten te worden of die juist het experiment schuwen omdat ze anders hun lezers denken te verliezen. Als je de verhaallijn maar sterk genoeg maakt, zullen je lezers nergens van schrikken.'

De Rotters Club eindigt met een ontroerende en in Engeland inmiddels vermaarde monoloog van Ben – een zin van bijna veertig bladzijden lang die alleen aan het slot een punt krijgt. Behalve een voordracht voor het Guinness Book of Records leverde die krachttoer Coe ook vergelijkingen op met het slothoofdstuk van Joyce's Ulysses, waarin Molly Bloom in één lange stream of consciousness haar leven aan zich voorbij laat trekken. Coe zegt dat hij er niet op uit was om het record van Joyce te breken (,,Als je van Molly's monoloog de alineascheidingen niet meerekent, is die ten minste twee keer zo lang'), maar dat het slot van De Rotters Club een kwestie van `form follows function' was.

Coe: ,,Je moet je stijl niet alleen aanpassen aan de personages die je aan het woord laat, maar ook aan de gemoedstoestand waarin ze verkeren. Er zijn nog altijd mensen die vinden dat je door dit soort stijlexperimenten het werkelijkheidsgehalte van je boeken omlaag haalt. Maar literatuur bestaat nu eenmaal bij de gratie van een bijzondere vorm en een zekere kunstmatigheid. Als je het echte leven wilt zien, moet je maar in een café gaan zitten. Of zoals Hitchcock placht te zeggen: `Some directors film slices of life. I film slices of cake'.'

Jonathan Coe: De Rotters Club. Vert. Niek Miedema en Harm Jan Damsma. Uitg. Meulenhoff, 424 blz, f 45,-. De Engelse editie kwam uit bij Viking (f 47,95, gebonden). Het eerdere werk van Coe is verschenen in Penguin pockets.