Niet helemaal spookvrij

In zijn eerste boek, Skellig, liet David Almond een jongen een engel in de schuur vinden. Een nogal morsige engel, die muizen at maar liever Chinees eten kreeg en die aan een ernstige vorm van botverkalking leed. Hij had ook vleugels. De jongen die hem vond leidde tot op de dag van de engel een heel gewoon leven, en eigenlijk daarna ook nog wel, al verandert er natuurlijk veel als er een mottige engel in je schuur ligt en als je een leuk buurmeisje blijkt te hebben.

Het boek kreeg een Zilveren Griffel en terecht – het bizarre was hier in een zo alledaagse wereld geplaatst dat het overtuigend werkte, en de engel was bovendien heel weinig zoet. Almond schreef vlot en geestig, alles aan Skellig maakte dat er reden was om ook van zijn volgende boek hoge verwachtingen te hebben. Dat was De wildernis, een boek waarin de zielen van gestorven kinderen een grote rol spelen. Het werd bekroond met een Zilveren Zoen maar het haalde het toch niet bij Skellig. Te bedacht, en au fond, te braaf.

Nu is er Het Zwarte Slik. Almond voert er kinderen in op die het zonder ouders moeten stellen, `beschadigde kinderen' zoals de directrice van het kindertehuis waarin ze zitten ze noemt. Van dat beschadigde merk je in het boek niet veel, de kinderen hebben allemaal een verdriet, namelijk dat ze geen ouders hebben, maar beschadigd lijken ze daardoor niet. Ze zijn eigenlijk verbluffend sociaal en aardig en zelfredzaam. Drie van hen lopen weg uit het tehuis, niet omdat het daar zo vreselijk is, maar omdat ze vrij willen zijn. Ze komen, net als de kinderen in Almonds eerdere boeken, in zekere zin in een andere wereld terecht. Een verlaten haventerrein met leegstaande loodsen vol vergeten spullen, kelders, kranen, roestende machines, achtergelaten materialen. Daar wonen een oude man en een klein meisje – twee hoogst vreemde types. De oude man lijdt aan geheugenstoornis en schildert alle andere mensen af als `spoken', het kleine meisje spreekt vreemd – `hebt ik het fout gedacht' – en heeft vliezen tussen haar vingers en tenen. Waarom wordt niet duidelijk.

In deze wereld hebben de kinderen een taak en die vervullen ze, natuurlijk, naar behoren. Er is een scène waarin de hoofdpersoon, het meisje Erin, in onderaardse kelders verdwaald raakt – waarom weten we niet, ze wíl dat blijkbaar – waar ze ineens `mutanten' om zich heen voelt, die met hun nagels over haar huid krassen, maar verder wordt er hier wat minder gespookt dan in De wildernis. Hoewel er ook nog een soort veenlijk tot leven komt en de ziel van de oude man zich zichtbaar uit zijn lichaam begeeft en kleipoppetjes soms een beetje bewegen. En Erin heeft nogal eens contact met haar dode moeder – dus helemaal spookvrij is ook dit boek beslist niet.

Almond wil dat graag, blijkbaar, de suggestie geven dat er meer is, en dat `meer' heeft al gauw te maken met de dood. Het vervelende is dat het er na zijn eerste boek soms zo bijgesleept lijkt, zoals die keldermutanten-scène en dat veenlijk, waarvan gezegd wordt dat het een heilige is. Almond wil graag spannend vertellen, heeft hij bij verschillende gelegenheden gezegd, en dat doet hij soms ook, maar het is alsof hij het tè bijzonder wil maken en teveel in een boek wil proppen. Daardoor overtuigt het niet meer en is het onevenwichtig en, dat is misschien nog het spijtigst, je vergeet al die verzinsels onmiddellijk weer. Terwijl Skellig niet makkelijk te vergeten is.

Het Zwarte Slik is geen straf om te lezen, maar het is een boek van dertien in een dozijn geworden, met onhandigheden en gewrochte magie, allemaal gedragen door dappere, lieve, grootmoedige kinderen. En alles komt ook nog goed.

David Almond: Het Zwarte Slik. Vertaald door Annelies Jorna. Querido, 166 blz. ƒ29,95

Nederlandse literatuur