Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903 was nooit ziek. Maar soms was hij weleens verhouden. Hij trompetterde dan zo hard in zijn zakdoek dat het halve dorp hem hoorde. ,,Ben je verkouden?', vroeg mijn moeder zoetsappig. ,,Nee,' zei m'n vader altijd, ,,ik snuit mijn neus, dat zie je toch dat is iets anders.'

Ziek zijn bestond in ons gezin niet, dan was je een slakjanus. Had je uitslag van aardbeien eten, dan werd er azijn op gedaan. Bij een diepe schaafwond werd er als troost een mariakaakje op gelegd, bij keelpijn kregen we een schoteltje sinaasappelpartjes bedolven onder de suiker. In een kopje heet sodawater hielden we doodstil onze ontstoken vinger. Soms mocht de poes mee naar bed. Maar de enkele keer dat mijn moeder ziek was, zei mijn vader fluisterend tegen ons dat we nu een huzarenandijvietje gingen maken. Hij bakte spekjes op koude aardappels met rauwe andijvie en azijn, lekker. De deuren bleven stijf dicht want mijn moeder mocht boven niets ruiken. Toen we alles opgeruimd hadden ging mijn vader paffend aan een verse sigaar naar boven met bloemen die hij uit de tuin had geplukt, en gaf mijn moeder, die niet aan eten moest denken, een zak met tien eierkoeken die hij speciaal voor haar had gekocht.