Manu Baeyens

De tv-zender National Geographic zendt wel eens diepzee-beelden uit die net zo goed uit de stratosfeer kunnen komen. Met walsende celbollen en een schubbig soort roggen, die volstrekt blind zijn. Want waarom zou je in die inktzwarte dalen nog ogen hebben. Al miljoenen jaren planten die soorten zich daar voort alsof zich aan de oppervlakte sinds de komst van de tyrannosaurus rex niets bijzonders heeft afgespeeld.

In het geval van reïncarnatie zal de Belg Manu Baeyens zo'n peilloze trog wel bekend voorkomen. Hij woont weliswaar in het dorp Smetlede, maar zijn werk staat bij binnenkomst in galerie Liesbeth Lips net zo ver van je af als het leven van die roggen. Het roept ook meteen irritatie op, en het doet verlangen naar dingen en beelden die je wèl meteen kan thuisbrengen of mooi kan vinden.

Om even een indruk van Baeyens' werk te geven: het galerieraam smeerde hij in met vaseline en het verstopte-neusmiddel Vickx, op het terras liggen teerachtige stoffen bonken met ingesnoerd, rottend fruit waar vogels op af moeten komen, in de gang hangt een driedimensionale rechthoek met vijf slappe uitlopers, samengesteld uit grijs geworden jeans, en dan herinnert hij – net als zijn landgenoot Luc Tuymans met diens schilderijen op de huidige Biennale van Venetië – ook nog aan de Belgische kolonie Kongo, aan de staatsman Mobutu (1930-1997) althans, door hem als een stolp van papier-maché bezwerend neer te zetten op een kalebas.

Baeyens is 28 jaar en dyslectisch, hij volgde een Vlaamse academie, nam op 15-jarige leeftijd al een internationale kunstprijs in ontvangst en maakt sindsdien voor vele tentoonstellingen beeldende kunst in alleen maar zwart-wit en de grijsschakeringen. Geen alcohol, geen koffie, ook geen leren schoenen en natuurlijk geen feestjes. Maar wèl installaties, objecten, schilderijen en tekeningen, die geënt zijn op de natuur, antropologie, filosofie en nog veel meer. Deze presentatie is zijn eerste in Nederland, en een zekere verwantschap met de `Allesmacher' Joseph Beuys kan hem niet ontzegd worden.

Drentelend door de gang en van voor- naar achterkamer, trekt de mist in de galerie een beetje op. Baeyens functioneert als een zintuiglijk radarscherm dat elke impuls serieus neemt. Bij de Mobutu-kalebas, rustend op teilen met water en met Griekse ouzo en omringd door slangen en kubussen, horen we serene elektronische muziek. De rechthoek in de gang dient dagelijks met een vanille-extract te worden beneveld en in de zijkamer van de galerie staat een manshoge, ingesnoerde larf als de Moeder Gods, in gezelschap van glazen potten met zelfgemaakte maanvruchten en met kleine schilderijtjes van sterrelichamen en meteorieten, neergepoot op dikke lagen zout. Wie denkt dat er een filosofische gedachte steekt achter dat ene schilderijtje met vijf struisvogels vergist zich: ,,ik steek gewoon mijn nek uit'', zo legde hij eerder aan galeriehoudster Liesbeth Lips uit.

Net als bij Mark Manders maakt Baeyens niet alleen beeldende kunst, zijn hele leven lijkt daarvan in dienst te staan. Zij het dat Baeyens' installaties organischer zijn, op een 19de-eeuwse wijze romantisch – `terug naar de natuur' – en toch ook doen denken aan Afrikaanse, rituele beelden die eveneens vaak geuren, besmeurd zijn en eigenaardige fetisjes in zich dragen. Bamboestaven, waspoeder, knikkers en nylons – er huist van alles in de larf, de zwart gepigmenteerde vruchtenbollen en de rechthoek van Baeyens.

Een dergelijke tentoonstelling bekijk je niet even snel. Er komt meer tijd aan te pas om het denken, doen en laten van zo'n alchemist en diens vreemde atmosferen, enigszins te leren kennen. Ook de binnenwereld van Baeyens' landgenoten, Patrick van Caeckenbergh en Thierry de Cordier, loop je niet één, twee, drie binnen.

Je zou alleen wensen dat hij bij zijn tekeningen en schilderijen dezelfde kernachtigheid en hoge, ambachtelijke perfectiegraad nastreefde.

Manu Baeyens, tot 15/7 bij Galerie Liesbeth Lips,

Rochussenstraat 81a, Rotterdam. Open: do t/m zo 12-17 uur.