Luister liever naar de tram en de straat

Woensdag wordt in de Rotterdamse Schouwburg de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie uitgereikt. In een dozijn jaren heeft die prijs een stevige reputatie verworven. De lijst van laureaten is indrukwekkend divers. Elma van Haren, Tonnus Oosterhoff, Anna Enquist, Joke van Leeuwen en Ilja Leonard Pfeijffer zagen hun debuut in Rotterdam bekroond.

Zo literair bepalend als de Reina Prinsen Geerligsprijs in de jaren vijftig en zestig was, zo tekenend is de Buddingh'-prijs voor het huidige poëzielandschap. De keus van de winnaar is vaak eigenzinnig. Vorig jaar bekroonde de jury het weerbarstige leerdicht 98 van André Verbart. Mijn eigen voorkeur had toen Zeehond graag van Marjoleine de Vos, en ook in de jaren daarvoor was ik soms verbaasd over de uitslag. Alleen winnaars maken geschiedenis, maar een lijst van alle sinds 1988 genomineerde bundels zou een scherper beeld van tien jaar dichtkunst bieden dan het kampioenenlijstje.

Net als vorig jaar zijn ook nu weer vier dichters voor de prijs genomineerd. De selectie kan niet moeilijk zijn geweest, want het millenniumjaar bood een schrale oogst. De jury – bestaande uit Paul Demets, Robert Dorsman en Annemiek Neefjes – had de keus uit krap tien serieuze Nederlandse en Vlaamse debuten. Het kwartet dat ze daaruit samenstelden is een adequate staalkaart van wat er in de poëzie gebeurt.

Mark Boog, Mark Bruynseel, Alfred Schaffer en Peer Wittenbols hebben poëtisch weinig gemeen. Een nieuwe dichtersschool lijkt opnieuw niet in aantocht, maar dat is geen ramp. Juist die verscheidenheid maakt het poëzieaanbod immers aantrekkelijk. Er zijn weer dichters die lyriek bedrijven, en er zijn dichters die alles wat zingt verwerpen. Er zijn denkers en kijkers, en in het laatste decennium vooral ook luisteraars onder de dichters. En zoals in het verleden zijn ook nu de beste dichters ziener, hoorder, denker en zanger tegelijk.

Troosteloos

Zo'n `complete' dichter zit helaas niet bij het uitverkoren viertal. Of in ieder geval nog niet, want — eerlijk is eerlijk — het gaat om debuten. Een belangrijke verdienste van de Buddingh'-prijs is dat die beginnende dichters voor het voetlicht brengt, en vaak zijn die debutanten door recensenten over het hoofd gezien. Van het dit jaar genomineerde kwartet is slechts één bundel in deze krant besproken. Dat was Alsof er iets gebeurt van Mark Boog. `Het is geen vrolijke poëzie,' schreef ik daarover. `Zesenvijftig verzen lang bezingt Boog de schrale vreugden van een troosteloos bestaan... Verveling en falen krijgen prachtige woorden in Alsof er iets gebeurt, maar voor een tweede bundel lijkt de thematiek te smal.'

Dat klinkt niet als de aankondiging van een bekroning. Niettemin is Boog zeker niet de zwakste van de nu genomineerden. Stilstand en inertie voeren in zijn poëzie de boventoon, maar daarbij wordt meer dan één register bespeeld. De grondtoon is somber, maar soms krijgt wat grauw is sierlijk nuance, zoals in het gedicht `Klein huis':

Klein huis, maar gooi er eens een bal doorheen

en het wordt groot. Zie al die meters,

zijn ze niet van ons? En slenter eens alsof

je niet weet waar je heen gaat: ruimte rekt

zich geeuwend uit tussen de muren. Zie:

het dwalen dat de kamers met elkaar

verbindt is witgeverfd. Er is een trap,

een kapstok in een kast, wat deuren. Als

een landweg zo toevallig ligt het, doel

en startpunt bij de weg gezocht in plaats

van omgekeerd, zo lijkt het. Als je brood

haalt en weer terugkomt zul je zien dat we

een picknick kunnen houden. Snel, ga nu!

Het krimpen kan onmogelijk ver weg zijn.

De laatste regel verraadt de denker in de dichter. Het leven in Alsof er iets gebeurt beweegt zich in een vertrouwde omgeving – binnen de muren, aan tafel of bij het raam – maar ook in eigen huis houdt de dichter zich liefst op afstand. `Klein huis' is rijk aan beelden, maar dat is een uitzondering. In het merendeel van zijn verzen kijkt Boog niet als dichter, maar met het oog van een filosoof, en zijn taalgebruik is navenant.

Deelwoorden

Ook Alfred Schaffer formuleert redenerend. Net als Mark Boog maakt hij in Zijn opkomst in de voorstad onbekommerd gebruik van zowel onvoltooide als voltooide deelwoorden. Omstreeks 1970 vertelden oudere dichters aan jonge beginners dat poëzie vooral schrappen was en dat dat schrappen bij de bijvoeglijke naamwoorden begon. En dat je adjectieven nooit aan een werkwoord ontlenen mocht. `Onbekommerd gebruik' was geen dichterstaal.

Maar we leven dertig jaar later en Schaffer is, net als Martin Reints, een dichter die zijn oor bij het publiek te luisteren legt. Dus schrijft hij over `sluitende winkels', `de prachtig gerestaureerde fontein', en zelfs `ons vastgezette hoofd', want in de tram en op straat zijn dat gangbare frasen. Niet de regels van een poëtica bepalen zijn verzen, maar het beluisterde leven, en dat is winst. Zeker als oog en oor zo humorvol samenwerken als in `Zij moeten bereid zijn tot het uiterste te gaan':

Voor deze gelegenheid hebben zij

een berghut uitgekozen die alleen

bereikbaar is

via een glibberig en uitgesleten pad langs een ravijn.

Ze spreken af elkaar lang genoeg aan het woord te laten

en elkaar niet in de rede te vallen

zonder eerst een hand op te steken.

Als een van de twee een woord niet

verstaat

schiet de ander in de lach en zal het woord met grote letters

op een stuk papier schrijven dat hij

omhooghoudt

opdat de ander het woord uit zijn hoofd kan leren.

Eerder die dag begon het hevig te

sneeuwen.

Ze leggen hun dromen uit wanneer

zij daar behoefte aan hebben.

De slotstrofe wekt bewust vervreemding. Op soortgelijke wijze zet Schaffer in vrijwel al zijn gedichten de lezer op het verkeerde been. Zoals zijn personages veelal zonder begrip communiceren, zo communiceren zijn verzen. Gezichtsbedrog en misverstand voeren de boventoon. Slechts minieme beweging blijkt in taal te vangen.

In de poëzie van Mark Bruynseel gaat het evenzeer om minima, maar elke andere gelijkenis met het werk van Boog en Schaffer is ver te zoeken. De lyriek van Uit de verf van lucht bevindt zich aan gene zijde van het poëtisch spectrum. De orde van de wereld ligt voor Bruynseel letterlijk tussen verschijnings- en verdwijningsvormen, en die visie projecteert hij op zijn eigen geschiedenis en omgeving. Dat levert mooie beelden en portretten op, maar juist dat nadrukkelijk mooie wekt ook irritatie. Regels als `Lente van nature waarin vaders weer bestaan / onder de popelende lier van vogels fluiten' zijn mij te woordspelig, en te weinig gericht ook. Het lijkt ondenkbaar dat deze poëtasterij uit dezelfde pen komt als zo'n beklijvend vers als `Verbazing', dat treffend inzet met

Vader die tachtig bij mijn moeder is

rijdt op verbazing de lente door. Hij wil

velden zien van tarwe groen, van regen

voldoende klaar, en of het waar is

dat ze nog bestaan de boeren zoals hout

in een of ander bos. (...)

Maar Uit de verf van lucht biedt toch te weinig van dit soort strofen om woensdag bekroond te worden.

Ook Peer Wittenbols lijkt me geen echte kanshebber. Zijn Slaapschuld is te duidelijk het product van een toneelschrijver. Daartegenover staat dat zijn theatrale greep naar epiek gedurfder is dan het verzenwerk van de andere genomineerden, en dat die greep ook niet is mislukt. Maar zijn taal is eerder poëtisch dan poëzie en zijn vorm lijkt door het dramaconcept gedicteerd. Slaapschuld noodt tot hardop lezen en klinkt dan voortreffelijk, maar bij herlezing blijkt het gebrek aan echte verdichting. Dat neemt niet weg dat in dit in zeven reeksen vertelde verhaal van een stervende vrouw trefzekere passages voorkomen. `Kees 5' is een goed voorbeeld, ook van het theatrale karakter van de tekst:

Die stoel is dood

De stoel is dood zonder de kont

Een stomme open mond

Waarin de lucht zich zoekt.

De stoel zonder zijn man

Is als de man zonder zijn stoel

Dat zeg ik.

Baas van het praten:

Zijn stoel.

Waar zijn tranen in werden geduwd

Op zondagnamiddag

Als de stilte kwam

Vuist na vuist.

Een rake tekst, maar geen Buddingh'-prijs-vers. Niet Slaapschuld van Peer Wittenbols, niet Uit de verf van lucht van Mark Bruynseel wordt woensdag bekroond. De laatste loodjes zullen, denk ik, tussen Alfred Schaffer en Mark Boog gewogen worden. Bij derde en vierde lezing bleek Zijn opkomst in de voorstad mij blijvender te boeien dan Alsof er iets gebeurt. Als de jury dat ook zo ervaart, krijgt Albert Schaffer de C. Buddingh'-prijs van 2001.

Er is een een speciaal programma rond de prijsuitreiking en interviews met genomineerden op 20/6 om 20.00 uur, in Kleine Zaal van de Rotterdamse Schouwburg

Poetry International