Johnny & Jones?

Eén ding heeft Theo Loevendie de afgelopen dagen bereikt met zijn opera Johnny & Jones: een overstelpende hoeveelheid publiciteit. Overal, in alle media, is verteld wie Johnny & Jones waren, wat ze zongen, hoe populair ze kort voor de oorlog zijn geweest en hoe ze in het voorjaar van 1945, achter in de twintig, aan hun eind zijn gekomen in Bergen Belsen. Overal, en op zijn best in een prijzenswaardige tentoonstelling in het Verzetsmuseum in Amsterdam, is een beeld opgeroepen van de tijd waarin ze groot werden, de muziek die bij hun generatie zoveel hartstocht opriep, de raadsels rondom de plaatopname die ze in de zomer van 1944 nog konden maken, en de jodenvervolging die geen uitzondering maakte voor jongens als zij.

Overal, behalve in de gelijknamige opera.

Want waar gáát Johnny & Jones nu eigenlijk over? In elk geval niet over de muziek van Johnny & Jones. Loevendie maakte zijn eigen muziek, waarin van alles doorklinkt, maar niets van het repertoire waarmee het duo zo geliefd werd. Voor hun niets-aan-de-hand-swing heeft Loevendie geen ruimte; hij heeft in verschillende interviews zelfs gezegd dat hij dat in muzikaal opzicht niet interessant vond. En evenmin voor hun kolderieke teksten, want die zaten in technisch opzicht heel wat beter in elkaar dan wat librettist Carel Alphenaar allemaal aan onbeholpen rijmelarij en lelijke stoplappen (,,wil ik dansen, sjansen, springen van schansen'') heeft verzonnen. Zo'n liedje was heel wat minder makkelijk te maken dan Alphenaar lijkt te denken. Wat dat betreft is Loevendie consequenter, die heeft zich tenminste niet bekommerd om de nummers van Johnny & Jones.

Ook geeft deze enscenering geen enkele indruk van de vrolijke swingnozemstijl van hun optreden. De koddig bedoelde danspasjes die regisseur Theo Boermans aan de zangers heeft opgedragen, verwijzen naar de humoristen die de ouders van Johnny & Jones aan het lachen wisten te maken. Zelf waren ze juist veel moderner, veel jonger in hun uitstraling. Met hun brillantine-hoofden en hun snelle jasjes leken ze op jazz-muzikanten, en niet op de zotte revue-komieken die hier ten tonele worden gevoerd. Eén van de twee zangers is trouwens ook veel te dik om door de twintigers van toen op handen te worden gedragen.

Ik geloof dat Loevendie, Alphenaar en Boermans niets van hun hoofdpersonen hebben begrepen. Ik geloof zelfs dat ze volstrekt niet in het artiestenduo Johnny & Jones geïnteresseerd waren. Ze geven daar tenminste niet één keer blijk van.

Zou het hun dan alleen maar te doen zijn geweest om het ondergangsdrama? Ook dat kan ik me moeilijk voorstellen, want ze misbruiken dat drama alleen maar om er hun eigen bedenksels vóór te zetten. Een dame die we niet leren kennen jammert dat ze Johnny & Jones niet heeft gered, en een biograaf die evenmin contouren krijgt, raakt in een geëxalteerde crisis omdat hij nieuwe informatie krijgt terwijl zijn boek al ter perse is – pover drama vergeleken met de ware geschiedenis.

Johnny & Jones gaat, hoe dan ook, niet over Johnny & Jones. Voor hun genre halen de makers hun neus op. De componist verwierp het, en de regisseur en librettist proberen vergeefs het na te doen. Het is de arrogantie van het onbegrip, de denkfout van wie zich ver verheven denkt te voelen boven het onderwerp dat hij ter hand neemt. Het is, kortom, weer het oude liedje.