`Iedereen kent zijn hel'

Na een gruwelijk moorddrama in Frankrijk reconstrueerde de Franse romanschrijver Emmanuel Carrère het feitelijke leven van de dader, gefascineerd door wat er achter diens leugens schuilging: ,,Zijn leven speelde zich af in een leegte.'

Op 9 januari 1993 sloeg Jean-Claude Romand zijn vrouw met een deegroller de hersens in en joeg vervolgens zijn achtjarige dochter en zijn vijfjarige zoon een kogel door het hoofd. Kort daarna reed hij naar het huis van zijn ouders, die hij ombracht met het geweer dat hij op zijn zestiende verjaardag van zijn vader had gekregen. Ook hun labrador maakte hij af. Daarna reed hij naar Parijs waar hij een rendez-vous had met zijn minnares. Bij thuiskomst luisterde hij zijn antwoordapparaat af, zapte twee uur langs alle televisiezenders, slikte een handvol pillen en stak het huis in brand. Even later kwam hij in een ziekenhuis bij uit zijn coma.

Het is deze tragedie die de schrijver en scenarist Emmanuel Carrère (1958) zeven jaar lang in zijn ban hield. Carrère, in Amsterdam voor de presentatie van De tegenstander in het Maison Descartes, en bekend van zijn beklemmende, achtste roman De sneeuwklas, volgde het verloop van Romands proces, correspondeerde met hem en ontmoette hem een keer, vlak voor de publicatie van L'adversaire (De tegenstander) vorig jaar, in Frankrijk.

Romand bleek twintig jaar lang een dubbelleven te hebben geleid: hij was noch arts noch onderzoeker noch functionaris bij de Wereldgezondheidsorganisatie in Genève, zoals iedereen in zijn omgeving dacht. Hij bracht zijn dagen door met niets doen en onderhield zijn gezin door familieleden grote sommen geld te ontfutselen, die hij zogenaamd bij veilige, Zwitserse banken voor hen belegde. Niemand bleek enig vermoeden te hebben gehad van Romands bedrog, dat tot een dramatisch hoogtepunt kwam toen al zijn geldbronnen waren opgedroogd en zijn leugens aan het licht dreigden te komen.

In De tegenstander doet Carrère op een indringende manier verslag van zijn fascinatie, die, zo zou je wel kunnen zeggen, bijna tot obsessie werd. Koel en afstandelijk, zoekend naar interpretaties, maar zonder te oordelen, reconstrueert Carrère het leven van Romand, voorzover hij dat heeft kunnen traceren: zijn jeugd, zijn ouders, zijn studie, zijn vrienden, zijn vrouw, zijn minnares, de huizen die hij bewoonde, de plaatsen waar hij zich in zijn schaduwleven ophield. Het is een boek waar je als lezer koude rillingen van krijgt.

Nee, oordelen wil Carrère niet: ,,Mijn personages zijn niet fictief, dus mag ik oordelen noch vergeven. Ik geef wel meningen, maar die zijn tegenstrijdig. Ik stel voortdurend vragen waar ik geen antwoord op heb. Daarom noem ik mijn boek ook een récit, een verhaal dat alle technieken van de roman gebruikt, maar er geen is. Als schrijver probeer je toch de waarheid te benaderen. Dat doe ik in dit boek door feitelijk zo exact mogelijk te zijn – niet alleen daar waar het Romand betreft, maar ook waar het om mijn eigen gevoelens, twijfels en vragen gaat.'

Je zo lang, zo intensief bezig houden met een huiveringwekkende misdaad en de aanloop daartoe, word je daar niet zelf krankzinnig van? Carrère: ,,Psychisch gezien was het een erg zware opgave. Zeker omdat juist het psychologische mysterie me bezig hield, niet het verloop van de misdaad – die was bekend. Zelfs de uitkomst van Romands proces lag in feite al vantevoren vast. Als de doodstraf nog had bestaan, had je je nog kunnen afvragen of het de doodstraf of levenslang zou worden. Nu werd het het laatste, dat lag voor de hand. Ik vroeg me af wat er in zijn hoofd was gebeurd en waarom. Romand zelf heeft geen toegang tot zijn eigen ik, kan zich niet in de eerste persoon uitdrukken. Maar wie zou dat anders kunnen doen dan hijzelf?'

Depressie

Een schrijver misschien? Carrère: ,,Nee, juist niet. Als ik zou hebben besloten in de ikpersoon het woord te nemen, dan had ik een psychologische moord gepleegd. Hoe afschuwelijk het ook is wat Romand heeft gedaan, hij leeft nog en heeft nog een kans ooit – hetzij bij zoiets als een zelfmoordpoging, hetzij bij een zware depressie – toegang tot zichzelf te krijgen. Als ik in zijn huid was gekropen, zou ik zijn plaats hebben ingenomen: dat mocht niet. Daarom heb ik ook zo lang aan dit boek gewerkt.

,,Wat me intrigeerde was niet zozeer de misdaad – hoe verschrikkelijk ook – of de leugen. Het was niet een kwestie van een dubbelleven, zoals je dat wel vaker hebt: een man met een officiële, burgerlijke façade, terwijl hij in wezen spion is, of travestiet. Wat mij verwarde, was dat zijn leugen helemaal niets maskeerde. Romand stond volledig buiten de wereld, buiten zichzelf. Zijn leven speelde zich af in een totale leegte. Dat is duizelingwekkend en ik moet toegeven dat daarin iets echoot van mijzelf, al ben ik sociaal gezien beter aangepast.'

Suggereert Carrère dat er in ieder van ons een dergelijke leegte zit? ,,Ik denk het wel, ja. Dit verhaal, heeft – al is de vorm dan erg extreem – iets universeels. Weet u, het succes van dit boek heeft me erg goed gedaan, en niet alleen omdat mijn ijdelheid van auteur werd gestreeld. Al die jaren had ik de indruk dat het verhaal zich tussen Romand en mij afspeelde, dat ik verraad pleegde aan een zekere affiniteit tussen hem en mij, die ik ondanks alles verafschuwde. Na verschijning van het boek werd er in de pers over geschreven en kreeg ik veel brieven van lezers. We waren voortaan met zijn drieën: Romand, ik en de lezer. We hadden iets gemeenschappelijk, we konden iets delen: dat gevoel van afstand tussen het sociale beeld dat je van jezelf geeft en dat arme naakte kereltje, dat je ook bent, in momenten van depressie, van scheiding, van mislukking, van slapeloosheid. Ieder mens kent dat gevoel, anders ben je geen mens.'

De onmogelijkheid jezelf of een ander te kennen – dat lijkt de filosofische kern van Carrères betoog. Hij formuleert het nog eens anders: ,,Ik stel me wel eens voor dat iedereen aan de binnenkant van zijn hoofd, of van zijn ziel, net zo u wilt, een raam heeft met uitzicht op de hel. Een groot deel van onze psychische energie gebruiken wij om ver van dat raam vandaan te blijven – en dat is maar goed ook. Tijdens het schrijven van dit boek had ik het gevoel dat ik de lezer bij de hand nam en samen met hem bij dat raam ging zitten om naar buiten te kijken. Ik zeg niet dat dat voor mij de taak is van de literatuur, maar het is wel nuttig.'

Skikamp

Het is vooral de beklemmende sfeer van naderend onheil die de `trait d'union' vormt tussen De tegenstander en Carrères vorige boek, De sneeuwklas. Het onzekere buitenbeentje uit die roman, een jongen die tegen zijn zin op skikamp wordt gestuurd, heeft een zesde zintuig voor al het onzichtbare kwaad dat op het punt staat zich te manifesteren. Het knappe van die, soms adembenemende, roman school dan ook voornamelijk in suggestie en sfeer.

Carrère schreef De sneeuwklas nadat hij zijn plan voor een roman over de affaire Romand had verworpen: ,,De boeken zijn tweelingen. Het is hetzelfde universum. Romand schreef mij dat hij De sneeuwklas had gelezen en de indruk had zijn eigen jeugd te zijn binnengestapt. Het zou Romand kunnen zijn, die monsterlijke man, die in de sneeuw ronddoolt met zijn verschrikkelijke geheim. Maar je zou hem ook kunnen zien in de hoofdpersoon, die jongen, die in een soort van autisme terechtkomt, zich volledig afsluit voor de rest van de wereld. We weten niet wat er zich in Romands jeugd heeft afgespeeld, maar een dergelijke pathologie wortelt meestal in traumatische ervaringen.'

De tegenstander uit de titel verwijst naar satan uit de Bijbel, waarin staat dat ,,de duivel degene is die anderen, maar ook zichzelf beliegt', zegt Carrère. Romand heeft zich inmiddels, in zijn gevangenis bij Chateauroux, tot het rooms-katholicisme bekeerd. Heeft hij het boek van Carrère gelezen? ,,Hij vond het een eerlijk boek. Eén ding vond hij onverdraaglijk, namelijk dat ik twijfelde aan de authenticiteit van zijn geloof. Ik vermoed dat hij weer een manier heeft bedacht om aan de werkelijkheid te ontsnappen. Als je zegt dat je arts bent terwijl je dat niet bent, komt er een moment waarop dat uitkomt. Als je pretendeert in contact met God te staan, kan niemand het tegendeel bewijzen. Daarom is zijn geloof zijn nieuwe toevluchtsoord.'

Emmanuel Carrère: De tegenstander (L`Adversaire, P.O.L. ƒ49,50). Vertaald door Floor Borsboom. De Arbeiderspers, 160 blz. ƒ34,95

Buitenlandse literatuur