Het leven bezien als je eigen film

Goeie titel heeft Joost Zwagermans nieuwe dichtbundel: Bekentenissen van de pseudomaan. Het is net zoiets als `Het vloeken van de dominee' of: `Beursadviezen van een opbouwwerker'. Pseudomaan is volgens de achterflap namelijk bedoeld als de vergrotende trap van een pseudoloog, een fantast en leugenaar. En bekentenissen worden geacht diep gevoelde persoonlijke waarheden te zijn. Het is een mooie paradox voor een schrijver die zich als postmodern afficheert.

Het eerste gedicht heet programmatisch `Zeven Joosten' en de dichter heeft 's nachts zeven hoofden `die ik naast mijn ene leven legde op de kast'. Dit moet je niet psychologisch opvatten, als beeld voor een meervoudige persoonlijkheidsstoornis, maar in meer filosofische zin, getuige latere regels:

Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar

en samen zijn we alle zeven

niemandsland.

Ziehier de postmoderne condition humaine: de sinds enige decennia verkondigde dood van het subject veronderstelt dat wij geen authentieke personen zijn, maar lege personages met verschillende rollen, die anderen ons opdringen. Vandaar ook aan het eind de regel: `Ik sta ingeschreven voor onteigening.' In de Nederlandse poëzie kennen we zulke maskerades van Gerrit Komrij. Zwagerman is echter in meer opzichten een postmodernist.

Natuurlijk in zijn romans, waarin een vergelijkbare inwisselbare identiteit voorkomt, zoals in Chaos en rumoer. In zijn essays houdt hij de deconstructivisten en poststructuralisten zelf op afstand, maar wel wordt hierin postmoderne aandacht voor de massacultuur breed uitgemeten. Zwagermans poëzie vertoont hiernaast ook belangstelling voor wat aan de universiteit `representatie' heet, voor het idee dat wat bestaat slechts bestaat door de manier waarop wij het voorstellen, in taal, met beelden, door theorie, in de media.

Pastiches

Zulke belangstelling is evenmin nieuw in de poëzie: eigenlijk maken de gedichten en teksten van Barbarber uit de jaren zestig ons al bewust van onze waarneming, en van de invloed die reclame en andere alledaagse teksten op ons hebben. Het is dan ook geen wonder dat Zwagerman in de reeks pastiches die hij van collega-dichters opneemt, met K. Schippers opent, met een variatie op diens fameuze regels:

Als je goed

om je heen kijkt

zie je dat alles

gekleurd is.

`Het oog van de lens' begint met: `Van alles wat ik van haar maken kan is de foto/ nog het meest in zichtbaar zingbaar stof gehuld.' Als de dichter op een zomers terras zit is er een `sfeer van museale films' en vlak daarop volgt een `shot'. Geen heroïne maar een aantal impressies die hij zich voorstelt als filmbeeld, wat gemarkeerd wordt door inspringende regels die de loop van het gedicht onderbreken. Dat hyperbewuste, het idee dat je steeds naar je eigen film kijkt, doet zich al voor in Zwagermans debuut, Langs de doofpot (1987) met regels als `Ik hoor mijzelf de zinnen/ zeggen die ik hoor te zeggen'.

Hoewel Joost Zwagerman een productief schrijver is heeft het dertien jaar geduurd voor zijn derde dichtbundel uitkwam. Dat wekte enige verwachting, maar bij lezing van Bekentenissen van de pseudomaan dringt zich de vraag op of hij niet meer schrijver is dan dichter. Zijn poëzie is weinig muzikaal, met hooguit wat binnenrijm en alliteratie.

Wèl is het winst dat de invloed van Kees Ouwens wegeëbd is, met de daaruit voortvloeiende geforceerde woordinversies. Helaas zijn de gebruikte beelden nog even cerebraal als in Zwagermans eerste twee bundels. Zie het hiernaast afgedrukte gedicht, of regels als deze, over een bezoek aan het Drents museum:

Miljarden in hompelgang door het

tourniquet geperst: laissez faire,

lassez passer! Geluk voortaan een

kwestie van rondleiding,

waarna catharsis in het restaurant,

global village op een dienblad.

Dit gedicht getuigt van postmoderne tegenstellingen als populair versus elitair, lokaal versus globaal en van commentaar op infotainment, denk ik, maar is `lasser' nu een zetfout, of opzettelijk (van `lasser', vervelen, wat me sterk lijkt)?

Mij bekruipt soms het idee dat deze teksten voor poëzie willen spelen in plaats van het gewoon te zijn. Voor een postmodernist maakt dat vast niet uit, alleen blijven lezers van na het postmodernisme met de vraag zitten, wat de noodzaak van deze gedichten is. Er is niets tegen Spielerei, zolang die je meesleept, zoals bij Pierre Kemp. Of tegenwoordig bij Tonnus Oosterhoff, ook al weet je niet altijd welk spel het is dat met je gespeeld wordt.

Huldeblijk

Het probleem is dat bij Zwagerman het spel wel duidelijk is. Zo wordt het postmoderne verlangen naar citeren uitgeleefd in een reeks van elf pastiches, `Collega's'. Ze wekken op de twee (flauwe) over Faverey en Kopland na de indruk een huldeblijk aan collega's te zijn. De gedichten bestaan uit halve citaten uit het werk dan wel van de titels van dichtbundels, uit een halve imitatie, uit toespelingen op de persoon en nog zo wat. Dat alles maakt een fijne collegiale indruk, maar wat heb je er als niet-ingewijde lezer mee te maken? Omdat ik Rob Schouten wel eens tegenkom en zijn werk ken vond ik het gedicht `Eigen haard' bijvoorbeeld geslaagd, alleen, wat moeten lezers die hem nooit tegenkomen en zijn werk niet kennen met zo'n particulier gedicht? Die niet weten dat Ilja Pfeijffer in Leiden woont en shag rookt, dat de titel van Menno Wigmans laatste bundel Zwart als kaviaar is en dat het niet goed gaat met Rogi Wieg?

Daarnaast heeft de woordspeligheid van vroeger nog weinig aan subtiliteit gewonnen:

Ooit iemand in een telefoonboek zien staan?

Jij doet het, onspeels en geschonden.

Ik ben, anders dan veel van mijn collega's, geen tegenstander van de woordspeling, wel tegen het uitmelken ervan. Deze regels gaan aldus verder in het letterlijk nemen van dat `staan': `Je trekt/ schoenen en sokken uit, plet het papier,/ je scheurt, vouwt zoveelduizend ezelsoren,/ mes erin, de kaft mag intact maar alle pagina's/ vanaf het midden leeggepeld totdat/ je maatje 38 er precies in past', enzovoort.

Toch stuit ik in Bekentenissen van de pseudomaan af en toe op een krachtige regel of een goed vers. Een op Bergen aan Zee geïnspireerd strandgedicht met regels als: `Hef hoog die bal, importeer een westenwind/ graaf een gieter voor de kwallenwacht/ zing desnoods de wapper van het oelezand,/ aardbei & vanille, zon op kop als kinderwant.' Of een vers dat het nooit meer donker wordende Nederland oproept. En het parlando slotgedicht, een kinderspreekbeurt over `vriendschap', meesterlijk van toon: `Ik ga het hebben over vriendschap.// Vriendschap kwam/ voor het eerst voor/ in het holoceen.// Dat is een soort krijt. Of jura./ Maar dan dus na de dinosaurussen.'

Het laat zien dat Joost Zwagerman iets kan. Het is jammer dat hij zichzelf dood-imponeert met postmodernisme. Alsof een van die zeven Joosten zijn kop niet houdt en de hele tijd erdoorheen mompelt hoe het moet. Zijn gedicht `Postmodern', de eerder genoemde variant op K. Schippers, luidt bij hem:

Als je goed

om je heen kijkt

zie je dat alles

gebeurd is.

Het geeft niet dat dit laboreert aan de postmoderne citeerdrift, het geeft evenmin dat deze woordspelige variatie een statement is en geen poëzie, maar wat spijtig is, is dat dit geloof, dat alles gebeurd is, nauwelijks inspireert tot iets nieuws, iets anders, dat gedurfd is en niet moe leunt op het idee dat alles er al is en dat wij het alleen een beetje bij elkaar hoeven te graaien.

Joost Zwagerman: Bekentenissen van de pseudomaan. Gedichten. De Arbeiderspers, 75 blz. ƒ31,95

Nederlandse literatuur