Een verademend nieuw onderscheid in literaire normen

De Groningse literatuurwetenschapper Frank Berndsen is een eigenzinnig onderzoeker. Zijn voor literatuurliefhebbers ongebruikelijke wereld van schema's, formules en `kille' analyses roept zowel bewondering als woede op. Althans, onder zijn studenten. Buiten Groningen lijkt niemand hem te lezen. Het pasverschenen boekje Met alle respect. Over literatuurkritiek, zal daar hopelijk verandering in brengen, al zullen ook hier mensen boos om worden.

Het boek is de neerslag van een onderzoek naar de kenmerken van de moderne literatuurkritiek. De conclusies zijn opmerkelijk. Zo onderscheidt Berndsen maar twee soorten argumenten op grond waarvan critici tot hun oordeel komen, waar men er normaliter minstens zes ziet. Deze tweedeling stelt hem echter in staat niet alleen een nieuw licht te werpen op individuele kritieken, maar ook inzicht te geven in belangrijke ontwikkelingen en discussies in de literaire kritiek.

Op grond van de analyse van een flink corpus literaire kritieken kwam Berndsen tot de conclusie dat er in een literaire kritiek meestal verschillende oordelende uitspraken worden gedaan over een boek, zonder dat daar enige hiërarchie in wordt aangebracht, tenzij de samenhang tussen vorm en inhoud ter sprake komt. Als een auteur enerzijds een prachtige stijl hanteert, maar anderzijds zijn personages niet goed uitwerkt, dan staan beide argumenten naast elkaar en wordt het eindoordeel een kwestie van `wat weegt het zwaarst'. Brengt men echter de samenhang in het geding, dan is een redenering als deze mogelijk: `Deze doorwrochte formulering past niet bij een personage met zo weinig diepgang.' Weg mooie stijl. Met het oog op de samenhang kunnen argumenten dus ongedaan worden gemaakt. Ook negatieve: Wolkers' boeken lijken grof, maar dat past binnen de opzet, dus zijn ze niet grof. Bernlefs poëzie oogt soms slordig of onaf, maar de dichter streeft naar perfectie met een gaatje (dus is zij niet slordig).

Samenhang

Blijkbaar moet een literair werk in ieder geval aan één kenmerk voldoen en dat is, dat er een zo groot mogelijke samenhang is tussen vorm en inhoud. Bovendien blijken critici het er aardig over eens te kunnen worden, of dat bij een bepaald literair werk het geval is. In Berndsens visie verschilt het argument van de samenhang dan ook fundamenteel van alle andere argumenten waarmee men oordelen over literatuur onderbouwt. Voor hem is het zelfs het enige echte literaire argument. Niet dat andere argumenten ongeldig zouden zijn, ze gelden alleen nooit voor literatuur in het algemeen. Ze laten zich dan ook niet herleiden op uitspraken over de vraag wat literatuur is, maar op uitspraken over een mooie zin, een interessant personage of een rake typering.

Het is kenmerkend voor Berndsens aanpak dat hij vervolgens de term `moderne literatuurkritiek' uitsluitend reserveert voor teksten waarin dat ene `literaire argument' gebruikt wordt, en alle andere boekbesprekingen als `kritische teksten (over literatuur)' buiten zijn onderzoek plaatst. Hij zegt er nadrukkelijk bij dat hij hiermee geen waardeoordeel uitspreekt, maar ik vrees dat verschillende mensen dat anders zullen ervaren en heel boos worden. Dat is jammer. Je kunt erover discussiëren hoe handig Berndsen is met de keuze van zijn terminologie, maar wat hij in zijn nieuwe Nederlands uitdrukt, is zeer de moeite waard.

Zijn totaal nieuwe onderscheid tussen literaire en niet-literaire normen is een verademing. Het oude onderscheid heeft nooit goed gefunctioneerd. Volgens de oude indeling zijn vooral morele argumenten per definitie niet- of zelfs buitenliterair, behalve als men een auteur op moralisme kan betrappen. In de praktijk is een moreel argument echter niet van literair argumenten te onderscheiden. Soms kleuren onze morele opvattingen ons idee over de werkelijkheid echter zo, dat we personages die daar niet aan beantwoorden niet geloofwaardig en dus slecht uitgebeeld vinden.

H.A. Gomperts

Zoals gezegd geeft Berndsens tweedeling ook inzicht in de de geschiedenis van de literaire kritiek. Zo komt het argument van de samenhang niet voor in boekbesprekingen van voor 1880. Nadat de Tachtigers het adagium `Vorm en Inhoud zijn één' introduceerden, wordt het echter een tijd lang het enige argument dat telt, terwijl een criticus in onze tijd geacht wordt beide typen argumenten te gebruiken. Wijkt iemand af van de heersende praktijk dan valt dat op. Hij of zij telt niet mee, wordt door zijn collega's aangevallen (zoals Aad Nuis, die in zijn recensie van Kellendonks Mystiek Lichaam het literaire argument buiten beschouwing laat), of moet zichzelf nadrukkelijk verantwoorden (zoals H.A. Gomperts die in de twintigste eeuw heel bewust negentiende-eeuws recenseerde).

Alleen al om deze inzichten is Met alle respect alleszins de moeite waard en voor wie bereid is door het taalgebruik heen te kijken, is er nog veel meer te genieten in dit betrekkelijk dunne boekje. Tot in de noten toe. Vele onderwerpen komen aan de orde. Van postmodernisme in Tilburg tot menselijk gedrag in oorlogstijd, en van genres in de literatuur, tot de macht van de criticus. Die laatste blijkt overigens mee te vallen. Anders dan wel beweerd wordt, bepaalt niet de criticus wat `literatuur' is, maar de uitgever, samen met de auteur. Aan de andere kant is het natuurlijk wel zo dat critici wel degelijk een flinke vinger in de pap hebben, als het erom gaat wat `goede' literatuur is en wat gelezen wordt.

Frank Berndsen: Met alle respect. Over literatuurkritiek. Passage, 140 blz. ƒ33,90

Kritieken