Een utopie van herinnering

Joseph Roth was een schrijver die voortdurend stilhield om zijn personages te observeren. Er lijkt sprake te zijn van een `Welle' in de belangstelling voor de man die in zijn romans de mentaliteit van de Donaumonarchie wist te vangen. Wat bindt is belangrijker dan wat scheidt.

Als chroniqueur van een tijdgeest blijft Joseph Roth (1894-1939) een schrijver die het verdient steeds weer ontdekt te worden. Met Robert Musil, Stefan Zweig, Arthur Schnitzler, Hermann Broch en Sandor Maraí behoort hij tot de belangrijke auteurs die met al hun vezels verbonden waren met de na 1918 verdwenen Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Roth is van deze schrijvers de beste verteller. Maar hij blinkt ook uit door zijn fijne gevoel voor de mentaliteit die in de uiterst gecompliceerde samenleving van dit vergane rijk als een bindende kracht werkte. Roth wekt de geestesgesteldheid tot leven die deze etnisch en cultureel heterogene maatschappij bij elkaar hield.

Er lijkt sprake van een Roth-Welle te zijn, die behalve een literaire ook een politieke oorzaak kan hebben. In Duitsland verschijnen talrijke nieuwe uitgaven van en over Roth en ook in Frankrijk is een hernieuwde belangstelling ontstaan. In Nederland heeft uitgeverij Atlas Radetzkymars (1932), het bekendste en beste werk van Roth, opnieuw uitgebracht samen met nieuwe vertalingen van de twee kortere romans Het sprookje van de 1002e nacht (1937) en De Kapucijner Crypte (1938). Wordt de nieuwe aandacht ook gestimuleerd doordat het Europa van de Europese Unie dringend behoefte heeft aan een gemeenschappelijk gevoel van lotsbestemming, waarvan Roth in zijn werk laat zien hoe essentieel het is voor de overleving van een ongelijksoortig samengesteld verband? Als dat zo is, sluit de oplevende interesse voor zijn werk aan bij de recente herontdekking van Sandor Maraí.

Tussen Roth en Nederland bestaat al langer een speciale relatie. Nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, moest Roth zijn werk in het buitenland laten publiceren. Dat gebeurde bij de Nederlandse uitgeverijen Allert de Lange, Querido en De Gemeenschap. Ook werd in de jaren dertig al een aantal van zijn romans in het Nederlands uitgebracht. Kort na de oorlog verscheen de door W. Wielek-Berg gemaakte vertaling van Radetzkymars, die nu opnieuw is uitgegeven. In de jaren zestig en zeventig taande de belangstelling, maar in 1979 namen Koos van Weringh en Toke van Helmond de draad weer op door als gastredacteuren een meer dan tweehonderd bladzijden tellend nummer van het tijdschrift De Engelbewaarder over leven en werk van Roth te verzorgen. In 1991 werd de correspondentie van Roth met uitgeverij De Gemeenschap uitgeven door de Nederlandse germaniste Madeleine Rietra. Momenteel bereidt Rietra, verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek, de publicatie voor van Roths briefwisseling met de twee andere Nederlandse uitgevers. Daarbij zal zij gebruik kunnen maken van het Allert de Lange-archief dat tijdens de oorlog door de Duitsers naar Berlijn werd versleept, vervolgens door de Russen naar Moskou werd meegenomen, maar naar aanleiding van het recente bezoek van koningin Beatrix aan Rusland is teruggegeven aan Nederland, waar het beheerd wordt door het IISG te Amsterdam.

Om de eenheid van zijn romans over de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie te onderstrepen, liet Roth zijn personages vaak terugkeren. De hoofdpersoon in Het sprookje van de 1002e nacht, ritmeester Taittinger, dient in Radetzkymars in hetzelfde regiment als Carl-Joseph Trotta, een familielid van de belangrijkste figuur uit De Kapucijner Crypte, Franz Ferdinand Trotta. Taittinger wordt in Het sprookje ingehaald en vermorzeld door zijn eigen geschiedenis. Het verhaal begint met een bezoek dat de sjah van Perzië aan Wenen brengt. De vorst wordt de aanstichter van een banale affaire, zoals de hoofdstad van de Donaumonarchie er tot genoegen van de hofkringen zoveel kende. Deze keer zou de afloop echter fataal zijn, zonder dat duidelijk wordt wat de precieze oorzaak is. In het werk van Roth is het noodlot even ongrijpbaar als onafwendbaar.

De sjah heeft zijn zinnen gezet op een adellijke dame. Hij is gewend dat hem in het verkeer met vrouwen alles wordt toegestaan. De Weense hoffelijkheid gebiedt dat de wensen van deze gast moeten worden gehonoreerd, maar tegelijkertijd verbieden de plaatselijke mores dat de betrokken dame ook maar op de hoogte wordt gesteld van de vorstelijke verlangens. Wat te doen? Taittinger, een man met de reputatie van een handige troubleshooter, heeft ooit tevergeefs naar de hand van deze vrouw gedongen. Daarna zocht hij troost bij een meisje uit het volk, Mizzi Schinagl, vooral omdat zij veel uiterlijke gelijkenis vertoont met de tevergeefs begeerde dame. Hij overreedt Mizzi de nacht bij de sjah door te brengen. De vorst doorziet de persoonsverwisseling niet en schenkt Mizzi als dank voor haar gewaardeerde diensten een parelketting. Dit sieraad groeit uit tot het middelpunt van een avontuur dat voor Taittinger slecht afloopt. Hij lijkt te worden overspoeld door rampen en zoekt vertroosting in de alcohol. Doordat zijn lot wordt bepaald door gebeurtenissen die onnavolgbaar zijn, beseft hij niet meer dan vagelijk dat hij zelf medeschuldig is aan deze afloop. Ook zijn eigenliefde beneemt hem het inzicht in wat hij heeft aangericht. Het hart behoorde tot zijn verwaarloosde organen, schrijft Roth.

Het sprookje is een mooi gecomponeerd en met veel vaart geschreven verhaal, dat niettemin een onbevredigende indruk achterlaat. Het is nog net geen smartlap, daarvoor heeft Roth te veel smaak. Maar het blijft aan de oppervlakte, alsof de schrijver er met zijn hart niet helemaal bij was. Het echte waarmerk van zijn meesterschap ontbreekt.

Precies het omgekeerde geldt voor De Kapucijner Crypte, een rommelig geconstrueerde roman waarin echter de specifieke Roth-sfeer minstens even intens aanwezig is als in Radetzkymars. Dit laatste werk eindigt in 1916, als met de dood van keizer Franz Joseph de ondergang van de Donaumonarchie wordt aangekondigd. De Kapucijner Crypte speelt zich af van 1914 tot 1938, het jaar van de Anschluss die een einde maakte aan het bestaan van de twintig jaar eerder opgerichte rompstaat Oostenrijk. In zekere zin is deze korte roman dus het vervolg op Radetzkymars, hoewel de toon van deze twee boeken sterk verschilt.

In Radetzkymars, dat nog verscheen voordat Hitler aan de macht kwam, overheerst weemoed over wat verloren is gegaan en is de toekomst nog gehuld in onbestemde vermoedens. De Kapucijner Crypte daarentegen is vol van diepe treurnis, maar ook van opstandigheid en onwil om te aanvaarden dat de dierbare monarchie voorgoed heeft plaatsgemaakt voor de barbarij. De betrokkenheid die in Het sprookje ontbreekt vloeit in De Crypte over de bladzijden.

Op 28 april 1933, drie maanden na Hitlers Machtübernahme, schreef Roth aan zijn vriend Stefan Zweig: `Ik wil de monarchie terug en daarvan wil ik getuigen'. Het oude rijk was voor hem meer dan een verloren thuishaven, het werd met het verstrijken van de gruwelijke tijden steeds meer een utopie van de herinnering. Na 1918 voelde Roth zich beroofd van de Heimat waarmee hij zich vereenzelvigde. De verbeelding van dit verloren paradijs werd zijn literaire bestemming.

Moses Joseph Roth was als `oostjood' in 1894 geboren in Brody, een stadje van zeventienduizend inwoners dat in Galicië lag, in de noordoostelijke periferie van de Dubbelmonarchie. Meer dan tweederde van de bevolking was joods. Een groot deel van deze inwoners werd tijdens de Eerste Wereldoorlog door het Russische leger verdreven en veel van hen kwamen in Wenen terecht. Zelf was Roth al in 1913 naar die stad getrokken om aan een studie germanistiek en filosofie te beginnen die hij nooit zou afmaken.

Tijdens de oorlog bleef frontervaring hem bespaard, hoewel hij herhaaldelijk in de buurt van de krijgshandelingen verbleef. Hij werkte voor de berichtendienst van het keizerlijke leger. Na 1918 maakte hij al snel furore als journalist en schrijver van feuilletons, die later gebundeld als roman verschenen. Sinds 1933 leefde hij als balling, vooral in Parijs en Amsterdam. Behalve politieke, bleef ook persoonlijke misère hem niet bespaard. Zijn vrouw Friedl kwam in een inrichting terecht, een lot dat ook zijn vader al had getroffen. Aan diens leven kwam een einde door zelfmoord.

De opmars van extremisme en antisemitisme, die in de jaren dertig niet meer te stuiten leek, was voor Roth op den duur niet meer te verstouwen. Hij sloopte zichzelf door excessief alcoholgebruik. Vaak is hij zittend aan een cafétafel gefotografeerd, met een treurig-ironische glimlach die duidelijk maakt dat er geen illusies meer zijn overgebleven. In 1939 stierf hij, nog geen vijfenveertig jaar oud.

Zijn totale oeuvre – veertien romans, talrijke verhalen, essays en journalistieke reportages – omvat zes delen dundruk. Dat hij een veelschrijver was die weinig woorden nodig had, komt ook in De Kapucijner Crypte tot uitdrukking. Roth is een traditionele verteller, bijna in de traditie van de negentiende-eeuwse Russische meesters, maar hij mist hun wijdlopigheid. Hij schrijft met grote precisie, in een stijl die verraadt dat deze auteur karakterologisch over een serene rust beschikte. Roth voert de pen als een man die voortdurend stilhoudt om met verbazing zijn personages te observeren. Het decor bestaat vaak uit een even merkwaardig als pakkend mengsel van intimiteit en dramatiek.

Franz Ferdinand, de hoofdpersoon uit De Kapucijner Crypte die is vernoemd naar de in 1914 vermoorde troonopvolger, is afkomstig uit Sipolje in Slovenië, de zuidwestelijke randstaat van de Donaumarchie. Zijn in 1913 gestorven vader heeft hem een vermogen nagelaten en zoonlief leeft als een verwende nietsnut die weet hoe het bestaan genoten moet worden, net als de adellijke vrienden met wie hij vaak in het koffiehuis hangt. In augustus 1914 moet Franz Ferdinand zich melden voor de actieve dienst en wordt naar het oostfront gestuurd. Hij verkeert in dezelfde onwerkelijke euforie die de gehele bevolking overspoelt. Het vermoeden van de komende ondergang wordt weggedrukt door het koortsachtige verlangen de eer van de natie te verdedigen. Hij raakt langdurig in Russische krijgsgevangenschap. De ontredderde stemming waarin hij aan het einde van de oorlog naar huis terugkeert, is bepalend voor de sfeer van deze roman.

Franz Ferdinand heeft de oorlog overleefd, maar dat lot heeft voor hem het karakter van een vonnis. Anders dan zoveel van zijn kameraden is hij, zo voelt het, ongeschikt bevonden om te sterven. Zijn leven is zo ontregeld geraakt dat het hem een kwelling is geworden. De oorlogservaringen hebben hem emotioneel uitgeput en werken als een blokkade in de verhouding tot zijn vrouw Elisabeth. Zij raakt in de ban van een geëmancipeerde vriendin, een relatie die voor Franz Ferdinand onbegrijpelijk en onverteerbaar is. Uiteindelijk verlaat ze hem. Het kapitaal van de familie Trotta, geïnvesteerd in oorlogsondernemingen, is verdwenen. Om in hun bestaan te kunnen voorzien vestigen Franz Ferdinand en zijn moeder in hun Weense huis een pension. Zijn leven wordt beheerst door angsten die, in de woorden van Roth, door de moderne medische wetenschap benoemd zijn, maar niet verklaard kunnen worden.

De politieke ontwikkeling wordt beheerst door onzekerheid. Van de Donaumonarchie resteert de rompstaat Oostenrijk, die een wankele toekomst lijkt te hebben. Men leeft in een tijd, zo is al op de eerste bladzijde van De Kapucijner Crypte te lezen, waarin de mensen de reden van hun bestaan zoeken in aansluiting bij zinloze groepen: het extremisme van links en rechts grijpt om zich heen. De aan waanzin grenzende verwarring komt tot uitdrukking in de verklaring die Manes Reisiger, een joodse vriend van Franz Ferdinand, geeft voor het gedrag van zijn zoon Ephraïm, die het besluit heeft genomen zijn studie aan het conservatorium af te breken. Ephraïm, zo verzekert Reisiger, is zo geniaal dat hij niet meer hoeft te spelen en zich geheel kan opofferen voor het ideaal van de communistische revolutie. Het enige anker dat in deze krankzinnige tijd voor Franz Ferdinand overblijft is het graf van Franz Joseph in de Kapucijner Crypte.

Met de dood van de keizer is niet alleen de dynastie weggevaagd die aan het hoofd stond van de Dubbelmonarchie. De monarch was het symbool van een mentaal-psychologisch weefsel dat zijn rijk bijeen hield. De grootste tragedie is voor Franz Ferdinand de vernietiging van dat web, dat bestond uit een complex samenstel van gedeelde emoties, van talloze ongeschreven regels, gewoontes, zeden, gebruiken, deugden en ondeugden, alle met elkaar verbonden in een gekoesterde levenshouding. De verbeelding van die mentaliteit is het grote thema van Joseph Roths literaire weltschmerz.

Heeft Roth de Donaumonarchie in zijn romans geïdealiseerd? Hij toont een open oog voor de spanningen en conflicten tussen de nationaliteiten. Die problemen moesten voortdurend bezworen worden om het voortbestaan van de monarchie te redden. De bereidheid om telkens weer compromissen te sluiten was groot, evenals het besef dat een breuk rampzalige gevolgen zou hebben. Niettemin was het een wonder dat Slovenen, Slowaken, Tsjechen, Roethenen, Serviërs, Kroaten, Duitsers, moslims en joden ervan overtuigd bleven dat ze in één verband thuishoorden. Het wezen van de monarchie was niet het centrum, maar de periferie. Daarom was de kwetsbare eenheid niet in de eerste plaats afhankelijk van de maatregelen die van boven kwamen, maar van een instemming die berustte op een gedeeld gevoel van lotsbestemming, waarvan de keizer het symbool was. Men moest samen verder of men zou samen ten onder gaan.

Die geestesgesteldheid beheerst in De Kapucijner Crypte ook de omgang van Franz Ferdinand met zijn vrienden, hoe heftig de discussies ook zijn die zij in het koffiehuis met elkaar voeren. Alleen al de klank van de taal die zij onderling spreken, een zangerig soort Duits dat Slaven en Italianen samen lijken te hebben uitgevonden, verzachtte volgens Roth de ernst van hun disputen. Het geheime bondgenootschap van deze strijdende vrienden berustte echter vooral op een zorgvuldig gecultiveerde combinatie van strijdbaarheid en lichtzinnigheid, overtuiging en melancholie, eigenzinnigheid en nonchalance, ernst en humor. Oostenrijk-Hongarije was een wereld waarin mensen die in veel opzichten heel verschillend waren allemaal bepaalde dingen deden en nalieten omdat die houding vanzelfsprekend was geworden. Wat onuitgesproken bleef werd versmolten tot een gemeenschappelijke omgangsvorm. Dit rijk was een beschaving in de beste zin van het woord.

Europa sprak volgens Roth over zichzelf het doodvonnis uit toen het deze wereld uit elkaar liet vallen. In 1918 nam volgens hem het `idiote' Europa het roer over: het Europa dat zich liet leiden door een verlangen naar nationale zelfbeschikking. De gevolgen van die keuze waren uiteindelijk ontwrichtend voor Europa als geheel en fataal voor de joodse gemeenschap die in de Donaumonarchie een vanzelfsprekende plaats had gekregen. De Europese Unie behelst een moeizame en langgerekte poging om het krankzinnige Europa weer achter ons te laten. Succes is alleen mogelijk als in dit heterogene verband het gedeelde gevoel ontstaat dat datgene wat bindt, belangrijker is dat datgene wat scheidt. Joseph Roth heeft die geestesgesteldheid in zijn oeuvre met stilistische meesterhand vertolkt.

Joseph Roth: De Kapucijner Crypte. Uit het Duits vertaald door Wilfred van Oranje. Atlas, 175 blz. ƒ39,90 Joseph Roth: Het sprookje van de 1002e nacht. Vertaald door Wil Boesten. Atlas, 238 blz. ƒ39,90 Joseph Roth: Radetzkymars. Vertaald door W. Wielek-Berg. Atlas, 351 blz. ƒ39,90