De toppen van de Nederlandse domheid

Matthijs van Boxsel beschreef de Nederlandstalige dommen van de twintigste eeuw in `Morosofie', het vervolg op zijn twee jaar gelden verschenen `Encyclopedie van de domheid'. Een verrukkelijke leeservaring.

Ik leef tussen gekken en dommen. De ergste gekken worden opgeborgen en misschien behandeld. De ergste dommen komen in de regering en proberen mij te behandelen. Over gekken is veel bekend. Ze worden bestudeerd, geteld, ingedeeld, en soms genezen. Over dommen is niets bekend. Er bestaat geen vakgebied waar de dommen worden bestudeerd, geteld, ingedeeld, laat staan behandeld. Zeker: men heeft het intelligentiequotiënt uitgevonden, maar dat is zelf al een dom idee. Wat intelligentie ook precies is, het valt in ieder geval niet langs een meetlat te leggen en in een enkel getal uit te drukken.

Gekken hebben geen slechte pers. Ze kunnen er niets aan doen. Ze hebben een kinderlijke charme. Iedereen erkent graag een beetje gek te zijn. Het woord `gek' betekent vaak: origineel, afwijkend, spannend, opvallend. Natuurlijk zijn er gevaarlijke gekken, zoals er ook gevaarlijke niet-gekken zijn. Maar de gevaarlijke gek wordt meestal direct herkend en onschadelijk gemaakt.

Dommen vormen de meerderheid. Toch is het helemaal niet leuk om dom genoemd te worden. Wie een domheid begaat ziet dat als een ongelukje. Als je verloofde zegt: `Dat was een beetje dom van je', dan lach je als een boer die nooit kiespijn heeft. Domheid is als slecht weer: het heerst, je doet er niets aan, en klagen is... dom.

Er is één man die domheid serieus neemt. En dat is nog een Nederlander ook. Matthijs van Boxsel heeft zijn levensdoel gevonden in de studie van de domheid in al zijn facetten.

Twee jaar geleden verscheen het eerste deel van zijn Encyclopedie van de domheid, waaruit bleek dat er niets in de menselijke cultuur bestaat dat niet uit het oogpunt van de domheid bezien kan worden. Het was een hilarisch boek, dat je bijna zou verzoenen met de domheid.

In dit tweede deel worden de Nederlandstalige dommen uit de twintigste eeuw behandeld. Niet allemaal, want daarvoor hebben we al de telefoonboeken. Alleen de toppen van de Nederlandse domheid verdienden een plaats in dit boek.

Drie gevaren bedreigen de man die over domheid schrijft.

Het eerste gevaar is dat hij de dommen belachelijk maakt. Je kunt iedereen belachelijk maken en dat kan vaak nut hebben. Maar wie een rij Nederlandse dommen vertoont, moet dat serieus doen en Van Boxsel doet dat. Het merkwaardige gevolg is dat je over een paar mensen die ik voor niet-dom houd en die door hem toch besproken worden vanwege hun fantastische ideeën, nader gaat peinzen. De wiskundige Freudenthal bedacht een taal waarmee we met buitenaardsen kunnen spreken. Van Boxsel zegt dat hij hem niet tot de dommen rekent, maar het is waar dat zijn komische taal thuishoort bij de vele bizarre taal-ideeën die de revue passeren.

In de inleiding zegt Van Boxsel dat hij de professoren Freudenthal en J.H. van den Berg, de uitvinder van de metabletica, serieus neemt. Verderop blijkt dat hij hun collega George van den Bergh, die een nieuwe druktechniek uitvond plus een geniale klokhervorming, niet serieus neemt. Ik zou de posities van Van den Berg en Van den Bergh willen verwisselen. De metabletica van Van den Berg voldoet aan alle eisen die men aan een totale-flauwekul-wetenschap kan stellen. De kleurendruk van Van den Bergh gaat weliswaar uit van de misvatting dat wat een boek duur maakt het papier is, maar is niet dom. En zijn idee om de zomertijd met zijn plotselinge uurschok te vervangen door horloges die elk half jaar een beetje harder en zachter lopen is uitmuntend en zal nog voor het jaar 3000 worden ingevoerd. Van Boxsel had Van den Bergh kunnen inrekenen voor zijn overtuiging dat de mens nooit op de maan zal kunnen rondwandelen, maar dat komt niet ter sprake.

Kwaad

Het tweede gevaar dat de morosofoloog bedreigt is dat hij zichzelf te serieus neemt. Ik zou als ik, zoals Van Boxsel deed, gedurende jaren al die domheden moest lezen, verschrikkelijk kwaad en verdrietig worden. Daaruit blijkt mijn domheid, want de domoor noemt zichzelf altijd doodserieus. Van Boxsel daarentegen bewaart zijn goede humeur en daarmee maakt hij zijn boek, behalve een serieuze catalogus van de domste ideeën uit het Nederland van de vorige eeuw, tot een verrukkelijke leeservaring. Harry Mulisch had ongelijk toen hij Van Boxsel verbood om hem te citeren. Wie de Constructie van de Hemel, of hoe dat domme boek ook heet, nooit door kon komen, wordt door Van Boxsel op elegante wijze voorgelicht. Uit zijn weigering blijkt dat Mulisch niet een schrijver is die voor ons genoegen fantasieën verzint, maar dat hij helaas meent wat hij opschrijft.

Het derde gevaar dat de morosofoloog bedreigt is dat van verdrinking. Er is nu eenmaal zoveel domheid in de wereld, dat een domheidsencyclopedie de normale encyclopedie, waar alleen echte feiten in hoeven te staan, honderdvoudig overtreft. Van Boxsel heeft zich moeten beperken. Toch staan alle dommen waar ik aan zou denken erin. De restauranthouder Nicolaas Kroese met zijn kosmische telegrammen, de duizenddichter Hietbrink met zijn verrassende etymologieën, en de drie-ogige Bart Huges heb ik zelf gekend. Naar de theorieën van Klaas Dijkstra (platte aarde), Rietdijk (eugenetiek) en Schoenmaekers (inspirator van Mondriaan) was ik nieuwsgierig. Heel verstandig is dat hij de domme theorieën van de slappe esoterici onbesproken laat.

Ik weet niet of Nederland vruchtbaarder is in de domheid dan andere landen. Een zekere welvaart en een zekere algemene ontwikkeling zijn nodig om boven de gewone tovenarij van godsdienst en kwakzalverij uit te komen. Het lijkt me dat wij ons in Nederland niet hoeven te schamen over de voortbrengselen van onze domheid. Maar dat zal pas duidelijk worden als Van Boxsel van de morosofie een internationale wetenschap heeft weten te maken. Ik voorspel dan een grote strijd tussen de Algemene Morosofie en de Vergelijkende Morosofie.

Een goed boek is niet na te vertellen. Ik heb mij voorgenomen om geen enkele van de meer dan honderd gevallen die Van Boxsel ons voorschotelt, van die schotels af te gaan halen. Korter en beter dan hij het doet, kan niet.

De ware domoor stopt al zijn energie in het terrein waarop hij dom is. Hoewel dommen nooit elkaars werk lezen, valt op dat ze toch vaak over dezelfde afgezaagde dingen met theorieën komen. De bijbel, de piramiden, de criminaliteit en Homerus blijven vaste inspiratiebronnen. Zo kon Van Boxsel de indeling der domheden overnemen van zijn Franse voorganger Henry Chambernac die in 1938 de Franse domheden van de negentiende eeuw behandelt: dommen maken theorieën over De Wereld, over De Taal, over De Tijd en over De Cirkel. Chambernac was de hoofdpersoon in Queneaus roman Les enfants du limon en Queneau is Van Boxsels inspirator.

Heeft u wel eens een recensie gelezen? Dan kent u de speciale domheid waar elke boekbespreker onder lijdt. Zelfs als hij entoesiast is over een boek en dat entoesiasme graag en royaal uit, dan moet hij toch wat opmerkinkjes maken, al was het maar om te bewijzen dat hij het boek helemaal gelezen heeft. Hier zijn mijn merkinkjes.

Vorige maand zag ik in Gent de tentoonstelling van Panamarenko's vliegtuigen, onderzeeboten en Zwitserse fiets (klein voorwiel, groot achterwiel). Ik kan er nu nog van genieten als ik aan die hartstochtelijk klunzig in elkaar gezette gevallen denk. Uit dit boek blijkt dat Panamarenko ook een boek over zijn uitvindingen heeft geschreven. Van Boxsel geeft daar een samenvatting van waaruit blijkt dat hij Panamarenko tot de dommen rekent. Maar mijn aanschouwing van de aan elkaar geknoopte vliegtuigen maakt dat ik hem op een lijn stel met de uitvinders van de Insectensecte onder leiding van Max Renerman. Daarover zegt Van Boxsel dat hij ze niet opnam `omdat ze humoristisch of kunstzinnig bedoeld waren'. Weet hij zeker dat dit bij Panamarenko niet het geval is?

Opeens-dik

De Vlaamse duizenddichter Willem Hietbrink beweert dat we de betekenis van een woord kunnen begrijpen door er goed naar te luisteren: hospitaal komt van `huis-bed-hal', appendix van `opeens-dik', clitoris van `glij-door-is', bordeel van `paard-hol'. Woorden zijn dus ontstaan uit zinnen. Het is dezelfde gedachte die bij Jean-Pierre Brisset een eeuw eerder opkwam: Israélite komt van `il sera élite'. Hietbrink zou zeggen: `is rare elite'. Natuurlijk komt direct de vraag op: als woorden zijn terug te brengen tot zinnen, waar komen de woorden in die zinnen dan vandaan? Maar dit is precies het raadsel dat elke, zogenaamd serieuze en geleerde, taalkundige theorie van de semantiek van woorden en zinnen ook onopgelost laat. De domme verklaringen van Brissot en Hietbrink kunnen ons dus wel degelijk iets leren. Maar nu herinner ik me dat Matthijs van Boxsel die opmerking ook ergens maakt, al kan ik zo gauw niet vinden waar. Laat ik maar ophouden met naar aanmerkinkjes te zoeken.

Wat we van dit boek kunnen leren is ten eerste dat domheid een bron van humor is. Ten tweede dat we vanuit de overdreven domheid van erkende domoren de normale domheid kunnen zien van denkers die wel serieus genomen worden. Ten derde kan het lezen van de domme honderd landgenoten ons vermogen om domheid snel te herkennen, verbeteren.

Zullen de dommen hun verlies nemen? Natuurlijk niet. Domheid is ongeneeslijk. Ze zouden net kunnen doen of hun theorieën slechts voor de grap gelanceerd werden, zoals ik Mulisch wel eens heb horen doen. Maar ze kunnen ook gaan bewijzen dat Van Boxsel alles verkeerd begrepen heeft. De aarde is plat, dat ziet iedereen zonder moeite. Ons wordt wijsgemaakt dat die aarde een bol is. Klaas Dijkstra bewijst dat de aarde wel degelijk plat is. Onze ogen bedriegen ons, dat is een feit. De natuur doet voorkomen of de aarde een bol is, maar daar vliegen wij niet in. Het is jammer dat Dijkstra dood is, want ik had graag zijn reactie gelezen.

Matthijs van Boxsel: Morosofie, Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen. Querido, 258 blz. ƒ74,90