De schilderkunst wéér doodverklaard

`Het spijt me, maar schilderkunst nu is op haar best academisch en op haar slechtst reactionair', zo beantwoordde de Franse curator Cathérine David de vraag waarom zij voor de laatste Documenta in Kassel (1997) geen enkele schilder had uitgenodigd. Schilderkunst was in haar ogen een marginaal verschijnsel geworden, een medium zonder toekomst, tijdverdrijf voor zondagsschilders.

David staat in haar opvatting niet alleen. De afgelopen eeuw werd de schilderkunst zo vaak door het slijk gehaald dat de stelling dat zij ten dode is opgeschreven, begint te vervelen. Keer op keer riepen kunstenaars dat zij met hun schilderijen een eindpunt hadden bereikt – Alexander Rodchenko met zijn felgekleurde monochrome schilderijen bijvoorbeeld, of Gerhard Richter met zijn grijze doeken – om vervolgens vrolijk verder te schilderen.

Vaak waren het technische uitvindingen die de positie van de schilderkunst deden wankelen. Zo zei Constantijn Huygens al in 1622 over de uitvinding van de camera obscura dat alle schilderkunst dood was, want dit apparaat kon het leven zelf imiteren. De finale nekslag leek ruim twee eeuwen later de fotografie te zijn, die de schilderkunst volstrekt overbodig zou maken. En zelfs de fabricage van de verftube vormde nog even een bedreiging. In de ogen van Marcel Duchamp was het métier van schilder niet langer mogelijk nu verf een industrieel, kant-en-klaar product was geworden.

In zijn boek Della Pittura. De schilderkunst en andere media zwengelt Frank Reijnders deze discussie opnieuw aan, ditmaal in de context van de nieuwe media. Zijn stelling is dat in het tijdperk van de technische media andere beelden circuleren: snellere, meer perfecte en directe beelden. Tegen het spektakel van de televisie, de reclame en de digitalisering zou de trage, contemplatieve schilderkunst niet meer zijn opgewassen.

Humanist

Reijnders, als kunsthistoricus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, ontleende de titel voor zijn boek aan de eerste theoretische verhandeling over de schilderkunst, Della Pittura (1436) van Leone Battista Alberti. Deze Florentijnse humanist en architect omschreef het schilderij als een omlijst venster met uitzicht op een plaatsvervangende wereld. Maar ook Leonardo da Vinci's Trattato della pittura diende als uitgangspunt, omdat deze kunstenaar rond 1500 als een van de eersten de schilderkunst verdedigde ten opzichte van andere media. De schilderkunst was superieur aan de dichtkunst, vond Da Vinci, omdat zij in staat was ons in een oogwenk een complexe scène te presenteren, waar de dichter vele vellen papier voor nodig had. De traagheid van het woord legde het af tegen de snelheid van het beeld.

Vijf eeuwen later kiest ook Reijnders deze vorm, wanneer hij de inmiddels traag geworden schilderkunst afzet tegen andere media als fotografie en video. In thematische hoofdstukken als `Global Groove' en `Mirrorical Return' neemt hij het werk van hedendaagse kunstenaars als Douglas Gordon, Pipilotti Rist en Jeff Wall onder de loep. Hoewel zij de schilderkunst hebben afgezworen, wijst Reijnders op het schilderkunstige karakter van hun videos en fotos. Zo zijn in Gordons bekende videowerk 24 Hour Psycho (1993) de beelden van Hitchcocks film zò vertraagd, dat details en objecten die in het origineel onopgemerkt bleven, nu opeens een rol van betekenis spelen. Net als bij een geschilderd portret of stilleven, meent Reijnders. Ook de theatraal geënsceneerde foto's van Wall of de gemanipuleerde foto's van Inez van Lamsweerde refereren volgens de auteur voortdurend aan de schilderkunst.

`Schilderkunst hoeft natuurlijk niet per se de gedaante aan te nemen van een schilderij', is Reijnders conclusie. De videocamera of paintbox kun je net zo goed als penseel hanteren. Het nieuwe schilderij is een kleurenfoto, al dan niet achter glas geplaatst en zorgvuldig omlijst. Op de laatste bladzijden van zijn rijk geïllustreerde boek stelt de auteur voor om de schilderkunst onder te brengen in de meer omvattende geschiedenis van het beeldscherm, een geschiedenis die begint bij het venster van Alberti en voorlopig eindigt bij de `windows' op een computerscherm. Alleen op deze manier zou het bejaarde medium kans op overleven hebben.

Zo bezien verdient de schilderkunst dus een plaats in het nog op te richten centrum voor beeldcultuur. Een tegenstrijdige en niet erg bevredigende oplossing, net zo min als Della Pittura een bevredigend boek is. Reijnders doet een dappere poging om het grote aanbod aan media dat de hedendaagse kunstwereld kenmerkt met elkaar in verband te brengen, maar slaagt er niet in een heldere lijn aan te brengen. Met groot gemak scheert hij langs talloze grote, 20ste-eeuwse kunstenaars – van Picasso tot Duchamp en van Warhol tot Polke –, maar nergens trekt hij je écht het verhaal in. Daarvoor hangt zijn opsommerige aaneenrijging van voorbeelden te veel als los zand aan elkaar en heeft de auteur ons te weinig nieuws te melden.

Jazz

Soms is zijn toon schools, zoals wanneer hij uitlegt hoe Mondriaan in New York in de ban raakte van de jazz en hoe dat in zijn werk is terug te zien. Maar vaker zijn Reijnders' formuleringen omslachtig en is het moeilijk te doorgronden wat precies zijn standpunt ten aanzien van de schilderkunst is. Het meest storend zijn de vele ongenuanceerde uitspraken: `Op dit moment bestaat er strikt genomen geen schilderkunst meer als een vaststaand gegeven (verf/linnen/penseel)'; `Wanneer men doet alsof dit wel zo is, is men niet langer aangesloten op de wereld.' Of: `Bij alle internationale kunstmanifestaties leidt de schilderkunst tegenwoordig een marginaal bestaan.' Je wilt hem aanmoedigen om toch vooral eens te kijken in de galeries en musea, waar (jonge) schilders als Chris Ofili, Michael Raedecker, Luc Tuymans en Robert Zandvliet ook anno 2001 op grote belangstelling kunnen rekenen.

Frank Reijnders: Della Pittura. De schilderkunst en andere media. Duizend & Een, 120 blz. ƒ63,90

Kritieken