De nocturnes van een balling

Bei Dao (pseudoniem van Zhao Zhenkai, geboren 1949) kan met enige gepaste overdrijving worden aangemerkt als de vader van de eigentijdse Chinese poëzie. Zowel in woord als in daad manifesteerde hij zich in de late jaren zeventig, vlak na het einde van de Culturele Revolutie, als de leider van het verzet tegen het socialistisch realisme en de maoïstische nieuwspraak. Zijn gedicht `Antwoord', met de beroemde, gewaagde regel `Ik geloof niet dat de hemel blauw is', ging het hele land door. Met behulp van bewust dubbelzinnige beeldspraak en een dosis romantische heroïek bouwde Bei Dao een nieuw Chinees poëtisch idioom dat letterlijk miljoenen lezers in vervoering bracht.

Ook zijn meer directe verzetsdaden, zoals het organiseren van verboden culturele bijeenkomsten in Beijing, bleven niet onopgemerkt. De manier waarop de jonge Bei Dao invulling gaf aan zijn dichterschap was geheel in overeenstemming met de eeuwenoude Chinese poëtische traditie, waarin de persoonlijke integriteit van de dichter evenzeer werd gewaardeerd als de schoonheid van zijn schrijfsels. Sterker nog, de twee werden niet geacht los van elkaar te kunnen bestaan. Maar de literaire en literair-politieke omwenteling die Bei Dao destijds teweegbracht, kent zelfs in de lange Chinese geschiedenis amper haar gelijke.

Na aanvaringen met het Chinese regime en rondzwervingen door Europa belandde Bei Dao in de jaren negentig in de Verenigde Staten, waar hij met open armen werd ontvangen als vooraanstaand `dissident' en kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur. Nu die prijs vorig jaar naar Gao Xingjian is gegaan, en China dus de eerstkomende honderd jaar niet meer aan de beurt hoeft te komen, is het opeens stil geworden rond Bei Dao. De bundel Landschap boven nul, die een bloemlezing uit Bei Dao's werk van de jaren negentig bevat, komt daarom op een geschikt moment om dit waardige werk voor de vergetelheid te behoeden.

De fraaie titel Landschap boven nul doet me steeds denken aan het boek De nulgraad van het schrijven van Roland Barthes, dat zich toevallig in mijn blikveld bevond toen ik Bei Dao's Engels-Chinese bundel Landscape Over Zero las. Waarschijnlijk is de associatie volslagen ongepast, maar niettemin is het mogelijk om Bei Dao's werk te zien als een vorm van schrijven die zich nooit volledig overgeeft aan de `autonome esthetica', altijd het contact met de realiteit behoudt, en daardoor consequent uitstijgt boven de `nulgraad'. Waarmee niet gezegd wil zijn dat Bei Dao nog steeds dezelfde heroïsche kreten slaakt als 25 jaar geleden, maar wel dat zijn inmiddels veel soberder werk altijd de mogelijkheid van een politieke lezing openhoudt. Typerend is het gedicht `Nieuwelingen':

Nieuwelingen

nieuwelingen-nachten

nergens bang voor

op het dak reciteren ze volmaakt gelijk

een onbeschreven bladzij schemer

in schulden van sneeuw

en gehijg van paarden

naderen ze een plaats van bloei

op het plein van een tijdperk

schrijven ze boeken vestigen hun leer

weten met de zweep betekenis te raken

in barsten in beton

zaaien ze hun namen

de dagen worden opgevouwen

wat blijft nog over

het lied op en neer met leven en dood

keert onvermijdelijk terug in hun

gesperde sprakeloze monden

Deze beheerste nocturne is een typisch Bei Dao gedicht. De beeldspraak is net iets te abstract om je als lezer beelden voor de geest te kunnen halen, maar de gevoelswaarde van woorden als `nacht', `sneeuw', `zweep' en `beton' creëert een kille atmosfeer. De spreker van het gedicht is afstandelijk, in dit gedicht zelfs afwezig. Hoewel Bei Dao een voorkeur heeft voor het persoonlijk voornaamwoord `ik', brengt hij de spreker zelden in contact met een `jij', hooguit met een bedreigende `hij' of `zij'. En zelfs voor wie niet weet dat Bei Dao een Chinese dissident is, roepen regels als `schrijven ze hun boeken vestigen hun leer/ weten met de zweep betekenis te raken' associaties op met onrecht en onderdrukking.

Elders in de bundel neemt het onrecht een persoonlijke vorm aan, wanneer de dichter verwijst naar zijn bestaan als balling, in regels als `brieven aan moeder/ moeten een heel leven afleggen/ de omweg rond de vijand' (uit `Bewogen nacht'), of de prachtige passage `verdriet uit de verte/ is een vorm van macht/ik zaag er tafels mee' (uit `In vaders vlakke verbeelding'). Maar ballingschap brengt meer met zich mee dan alleen maar verdriet om de scheiding van geliefden, het brengt ook dichterlijke zorg omtrent het verlies van taal en publiek: `bij de linies de moedertaal/ verbijsterd heimwee/ roos in doodsstrijd' (uit `Bij de linies der moedertaal'). Van tijd tot tijd registreert de dichter zijn verzet tegen al dat hem kwelt, maar in tegenstelling tot zijn vroege werk is het verzet hier niet meer dan een machteloos, nimmer overtuigend gebaar: `cirkelend in vogelroep/ schreeuw ik Nooit' (uit `Ochtendlied')

Bei Dao is op zijn best wanneer de hints omtrent politiek en ballingschap subtiel worden vervlochten in landschapsbeelden en verwijzingen naar (klassieke) muziek, zoals in het hierbij afgedrukte gedicht `Pastorale' dat al mooi is zonder interpretatie, maar betekenisrijker wordt wanneer men de frasen `oost en west' en `wacht ik lange jaren' relateert aan de werkelijkheid en aan de biografie van de auteur:

Door de thematische en stilistische eenheid bezit het werk van Bei Dao een hoog gemiddeld niveau, zonder spectaculaire uitschieters, maar bedachtzaam voortkabbelend van gedicht naar gedicht. Met een totaal aantal van zo'n zestig gedichten wordt de bundel hierdoor wel van tijd tot tijd een beetje langdradig en wat mij betreft had vertaler Maghiel van Crevel nog strenger mogen selecteren.

Over de vertalingen zelf valt veel te zeggen en lang te discussiëren. De hierboven geciteerde voorbeelden hebben hun schoonheid te danken aan de uiterst trefzekere woordkeus van Van Crevel, wiens indrukwekkkende beheersing van de Nederlandse taal reeds in vele andere poëzievertalingen bewezen is. De vertaling van deze bundel is echter ook op vele plaatsen erg eigenzinnig. Om de beknoptheid van Bei Dao's stijl te benadrukken heeft Van Crevel ervoor gekozen om in het Nederlands zoveel mogelijk lidwoorden weg te laten. In veel gevallen werkt die originele vondst goed, maar van tijd tot tijd is er te consequent aan het principe vastgehouden, leidend tot frasen als `rook houdt adem in', `de zoetheid van klokke vijf' of `des toeschouwers blikveld' als vertalingen voor passages die in het Chinees zeker niet zo potsierlijk zijn.

Van Crevels nawoord bij de bundel gaat nog eens uitgebreid in op het onrecht dat Bei Dao door de Chinese autoriteiten in de afgelopen decennia is aangedaan, en wat hem nog steeds verhindert om naar China terug te keren, ook al kan zijn werk tegenwoordig wel weer mondjesmaat in China gepubliceerd worden. Van Crevels elegante aanval op het Chinese bewind is overtuigend en leerzaam. Aan de andere kant kan de nadruk op Bei Dao's politieke status makkelijk de indruk wekken dat hij niet goed genoeg is om alleen als dichter te overtuigen. En dat is geenszins het geval. Bei Dao is een degelijke, toegankelijke dichter in wiens werk schoonheid en betekenis elkaar volledig ten dienste staan.

Bei Dao is tijdens Poetry International te horen op 21/6, 16 uur, in het Rotterdamse Schouwburgcafé Floor, en op 22/6, 20 uur, in de Grote Zaal van de Schouwburg.

Poetry International