De nieuwe vrijgestelde: leve de leidinggevende

De Nederlandse samenleving is de afgelopen 25 jaar een Mexicaans leger geworden: steeds meer generaals, maar een stagnerend aantal soldaten.

In de epiloog van zijn vorige week verschenen proefschrift Werken in de postindustriële samenleving (www.scp.nl) geeft P. de Beer leuke cijfers over de groei van het aantal managers en staffunctionarissen.

Tussen 1973 en 1998 verdubbelde hun getal ruimschoots van 140.000 tot 390.000, van 4 tot 6 procent van het totale aantal werkers. Die twee procentpunten groei is even hoog als de groei van het aantal `echte' dienstverleners, zoals schoonmakers en politie-agenten.

Hoe verklaart De Beer, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de explosieve groei van het management?

Met de voorzichtigheid die een promovendus eigen is, grijpt hij terug op de theorie van de Amerikaanse socioloog Veblen. Op de valreep van de negentiende eeuw typeerde Veblen de Amerikaanse `nieuwe rijken' als de aanhangers en aanjagers van opzichtige consumptie. Grote feesten, talloze bedienden. Zelf hielden de rijken zich zo ver mogelijk van productieve arbeid. Laat het werkvolk maar zweten.

De koplopers van de Nederlandse middenklasse hebben dit voorbeeld zo goed mogelijk nagevolgd, is de strekking van De Beers betoog. Met dien verstande dat ze zich niet door hun consumptie onderscheiden, maar door de aard van hun werk: goed betaalde banen met aanzien, zonder vuile handen te maken. Nieuwe vrijgestelden, maar niet langer alleen in de zachte sector.

Snijdt De Beers betoog hout?

De steeds welvarender middenklasse heeft de opzichtige consumptie gedemocratiseerd. Om niet uit de toon te vallen, om juist geborgen te zijn in een ons-soort-mensen gevoel. Het merk en het logo bepalen je (groeps-)identiteit. De ambitie van de doorsnee consument is een landhuis binnen de Nederlandse beperkingen, en dan krijg je een Vinex-locatie met een auto voor en een tuin achter.

Ook de middenklasse laat liever anderen zweten. Niet door bedienden in te huren, maar door aandelen te kopen. Geld met geld verdienen. Het kapitalisme is gedemocratiseerd, het volkskapitalisme heerst, al wordt het nu, zoals met de dramatische koersval van volkslieveling KPN, op de proef gesteld.

De Beers verklaring voor de opmars der managers luidt aldus: ,,Toen de werkgelegenheid aantrok en de werkloosheid langzaam zakte, werd het voor de maatschappelijke elite des te belangrijker om zo veel mogelijk in hoog aanzien staande werkzaamheden te creëren, waarmee zij zich van de werkenden op de lagere sporten van de maatschappelijke ladder onderscheidde.'' Nogal mager.

Hoe de elite dit huzarenstukje in de afgelopen decennia heeft geklaard, vertelt De Beer niet.

De verklaring voor de opmars van de managers ligt in de buitensporige fusies en overnames in de afgelopen twintig jaar. Grootschaligheid is de norm. In het bedrijfsleven, bij overheden, politiekorpsen, scholen en ziekenhuizen.

Voeg twee of meer organisaties samen en je hebt een overschot aan managers. Maar als managers iets niet goed kunnen dan is het schrappen in hun eigen rangen. Fusies en grootschaligheid kweken, naast veel meer, angst en onzekerheid, formaliteit in de omgang en natuurlijk nieuwe koninkrijkjes. Uitgerangeerde managers versterken de uitbundig groeiende adviesfirma`s.

In de publieke en verzorgende sector manifesteren de gevolgen zich anders dan in het bedrijfsleven. De nieuwe bijzonder hoogleraar professionalisering van de gezondheidszorg G. Hutschemaekers vertolkte zaterdag in de Volkskrant de kritiek in de geestelijke gezondheidszorg (ggz), een bedrijfstak met 100.000 werkers.

,,Er is te veel controle en er zijn te veel protocollen en behandelprogramma's waaraan ze zich moeten houden. Een aanslag op hun autonomie, vinden ze. Dat effect wordt nog versterkt door de fusiegolf in de ggz, en daarmee het oprukken van de managers.''

In het bedrijfsleven verandert schaalvergroting de marktverhoudingen. Grotere organisaties hebben grotere financiële belangen en grotere concurrenten. Vanuit hun (ivoren) torens beloeren en bestoken zij elkaar, met vermeende product-innovaties, marketing & imago-campagnes, rechtszaken en stuntwerk om de marginale consument te winnen. Dat vergt eigen mankracht en een peloton adviseurs – van advocaten tot accountants.

De reactie van de samenleving is voor de managersklasse weer een nieuwe impuls. Versterk de concurrentiewaakhonden. Bundel de financiële toezichthouders om de `kleine' man tegen de geldgiganten te beschermen.

Het surplus aan managers en stafwerkers is een buffer in de concurrentieslag tussen de kolossen. Een kolos die zulke buffers mist, loopt een verhoogde kans om alles te verliezen. Extra managers zijn een verzekeringspolis: je wint er weinig mee, maar je beperkt bij voorbaat je verliezen.