De lange strijd tegen het luie denken

Met haar elf jaar was Emily Rosa in 1998 de jongste die ooit een artikel gepubliceerd wist te krijgen in het gezaghebbende Journal of the American Medical Association. Bij wijze van `science project' had ze zich tot doel gesteld om uit te zoeken of `therapeutic touch' werkte. Deze vorm van alternatieve geneeskunde was eind jaren negentig erg populair en werd in vele ziekenhuizen beoefend. Een therapeut probeert met zijn handen, zonder dat er fysiek contact plaatsvindt het energieveld van de patiënt te manipuleren om het genezingsproces te versnellen.

Emily had haar twijfels over de effectiviteit van zo'n behandeling en bedacht een simpel proefje om dat te toetsen. Ze vroeg ervaren beoefenaars van de therapie hun handen door een ondoorzichtig scherm te steken en te bepalen welke van de twee zich boven háár hand bevond. De uitkomst was veelzeggend: slechts in 44 procent van alle pogingen zat de therapeut goed.

Het is een van de vele anekdoten uit het onlangs verschenen boek van de Amerikaanse natuurkundige Robert Park, Voodoo Science. Park is al bijna twintig jaar lang vertegenwoordiger van de American Physical Society in Washington, waar hij de contacten onderhoudt met de overheid en de vertegenwoordigers van de media. Hij wordt dan ook veelvuldig opgevoerd als deskundige in kranten en televisieprogramma's, maar ook als getuige in het Amerikaanse Congres. Zo heeft hij in de afgelopen jaren een lange rij van `wetenschappelijke doorbraken' aan zich voorbij zien trekken. Van de onvermijdelijke perpetuum mobiles tot antizwaartekrachtmachines en wonderbaarlijke (homeopathische) middeltjes als het vitamine O, zout water dat verkocht werd als `gestabiliseerde zuurstofmoleculen in een oplossing van gedestilleerd water en natriumchloride'.

Met de term Voodoo Science veegt hij verschillende vormen van pseudo-wetenschap op een hoop, van onderzoekers die zichzelf voor de gek houden via pathologische wetenschap tot regelrechte fraudeurs. Saillant voorbeeld van die laatste categorie is de Belgische graaf die in 1976 de Franse regering ervan wist te overtuigen dat hij een manier had gevonden om olie op te sporen aan de hand van de echo's van een nog onbekend deeltje. Toen zijn `avion renifleur' inderdaad in staat bleek om bestaande olievelden te lokaliseren besloot president Giscard D'Estaing dat dit een zaak van nationaal belang was die met de grootste geheimhouding diende te worden behandeld. Dat werkte uitstekend: het kostte drie jaar en meer dan een miljard francs voordat de graaf kon worden ontmaskerd.

Naarmate Park meer van dit soort voorbeelden aanhaalt, krijg je vanzelf een beter beeld van de gemiddelde voodoo scientist. Die passeert bij het wereldkundig maken van zijn ontdekkingen bijna altijd het normale wetenschappelijke proces, en richt zich direct tot de media. Hij – want het zijn zonder uitzondering mannen – maakt vaak gebruik van interessant klinkende termen uit geaccepteerde wetenschappelijke theorieën als de quantummechanica, zij het dan dat die volledig uit hun verband worden gerukt. En tenslotte is veel voodoo wetenschap statistisch van aard, omdat elke statistische analyse prachtige mogelijkheden biedt tot het introduceren van onzekerheid en fouten.

Koude kernfusie

Veel van de verhalen die Park aanhaalt appelleren ook aan de aloude mythe van de geniale autodidact die het in zijn eentje opneemt tegen het hooghartige, conservatieve establishment. Nu is het altijd makkelijk om heel badinerend en met veel humor te schrijven over het zoveelste warhoofd dat denkt het wereldraadsel te hebben opgelost of een oplossing heeft voor de energiecrisis, maar dat vindt Park te beperkt. Hij toont zich absoluut niet blind voor afwijkingen uit `eigen' kring: rode draad in het boek is bijvoorbeeld het verhaal ronde de koude kernfusie, de `ontdekking' in 1989 dat met behulp van een elektrochemische cel grote hoeveelheden energie konden worden opgewekt uit (zwaar) water. Tenslotte krijgt ook de NASA nog een veeg uit de pan: het wetenschappelijke programma voor het miljarden dollars kostende International Space Station, wordt door hem genadeloos ontmaskerd als `niet zozeer verkeerd, maar onbelangrijk.'

In al hun diversiteit laten de voorbeelden die Park aanhaalt ook heel duidelijk zien op welke manier voodoo science tegemoet dient te worden getreden. Precies zoals Emily Rosa dat deed, door met een open instelling simpele, maar kritische vragen te stellen en goed naar de antwoorden te luisteren. Alleen zo kunnen fraudeurs worden ontmaskerd en kunnen wetenschappers ervoor zorgen dat de wereld om ons heen wat beter voorspelbaar en daardoor wat minder raadselachtig wordt. Daar is niets ergs aan: zonder gedachtegolven, energiebanen en aardstralen is die wereld al wonderbaarlijk genoeg.

Ik ben alleen bang dat boeken als dat van Park niet terecht komen bij het publiek dat hem tijdens het schrijven voor ogen stond: `zij die hun wetenschappelijke `geloof' net zo kiezen als hun religieuze overtuiging, politieke partij of favoriete sportclub.' Wie wat meer over wetenschap wil leren, zal zich enige moeite moeten getroosten. Wat dat aangaat vechten Park en zijn medestanders een verloren strijd.

Robert L. Park: Voodoo Science. The Road from Foolishness to Fraud. Oxford University Press, 230 blz. ƒ69,-

Morosofie