Alleen het `O' is zeker

Tijdens Poetry International wordt een hommage gebracht aan de Rotterdamse dichter J.H. Leopold. Hij dichtte om de chaos te bestrijden.

Als er één woord zich opdringt aan wie leest van of over de dichter J.H. Leopold (1865-1925), dan is dat wel het woord `eenzelvig'. Een ongetrouwde, teruggetrokken man, doof ook nog, later lijdend aan paranoia, die gedichten schreef waarin `de ziel' zich nogal eens buigt `over eigen eenzaamheid' en waarin een hele wereld besloten ligt ìn de mens. De buitenwereld is daarbij snel storend, druk, dom. Al in 1919 schreef de dichter A. Roland Holst dat hij geen andere gedichten kende die zozeer `dat suizen der ziel' lijken te willen `geven' als de gedichten van Leopold: ,,Hij schijnt het inderdaad vaak welhaast te betreuren, dat zijn aanleg hem ertoe brengen moest onze woorden nog te bezigen'', zozeer op weg is hij, volgens Roland Holst ,,naar dat geheim en onverkend gebied, waar hij alleen nog de `ééne, onverschenene' mag verwachten.''

In zijn bekendste gedichten, en Leopold is een dichter van nog altijd veel bekende gedichten, klinkt ook die in zichzelf gekeerdheid, die dicht tegen de eenzaamheid aan ligt. `Om mijn oud woonhuis peppels staan', om meteen maar zijn meest geciteerde (en in de vorig jaar verschenen verzameling favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen opgenomen) gedicht te noemen, roept een beeld van eenzaamheid en gemis op `mijn lief, mijn lief, o waar gebleven' dat in de loop van het gedicht alleen maar verhevigd wordt door regels als `Het huis is hol en vol duisternis', en vooral door de laatste strofe, die hartverscheurend is:

Er woont er een voorovergebogen

`mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

met leege ogen

en die zijn vrede en rust niet vindt.

Door zijn eveneens heel bekende `Een sneeuw ligt in den morgen vroeg' loopt een `arm kind' dat ook al weer zo'n in zichzelf gekeerde indruk maakt; `O als ik dood zal, dood zal zijn' spreekt over de definitieve scheiding van de wereld, en in `Laat de luiken geloken zijn' wordt een klein kindje in zichzelf opgesloten, ogen toe, meegevoerd door eigen dromen.

Geen fuifnummer, deze Leopold, als dichter dan. Als mens waarschijnlijk ook niet, maar Leopold lijkt ook nog het meest van alle dichters een man zonder biografie. Niet letterlijk, er bestaat een biografie van hem en Leopoldkenner prof. dr. J.D.F. van Halsema werkt aan een nieuwe, maar wie het over Leopold heeft, heeft het nooit over zijn leven, waarover trouwens ook weinig bekend is. Het voornaamste dat daarover gezegd wordt, is dat hij leraar klassieke talen was aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, waar hij enkele later ook zelf bekend geworden leerlingen had, zoals Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, F. Schmidt Degener en N. Donkersloot (de dichter Anthonie Donker). Hij schijnt een door zijn leerlingen beminde leraar geweest te zijn en een uitmuntend classicus. Maar, zoals dat misschien wel bij Leopold past, daarin werd hij gefnuikt; het door hem vurig begeerde hoogleraarschap aan de Groningse universiteit ging tot drie keer toe aan hem voorbij, en zijn leraarsloopbaan werd, zo zocht Van Halsema uit, tegen het einde steeds meer vergald doordat de school hem kwijt wilde, omdat men meende dat zijn doofheid zo storend werd dat zijn leerlingen mindere eindexamenresultaten zouden behalen. Verder is hij ooit verloofd geweest met een vrouw die later met zijn broer zou trouwen en die, in 1900, zo'n dertien jaar na haar breuk met Leopold, in een brief schreef: ,,'t Benauwt me soms zoo, dat ik de oorzaak ben, dat hij nooit vrouw en kinderen zal hebben''.

Zo'n man.

Een man die, naar alle waarschijnlijkheid, in zijn gedichten een verloren geliefde bij elkaar dichtte die er nooit geweest is niets zo heerlijk als een dode geliefde voor een negentiende-eeuwse dichter, schrijft Van Halsema, die eraan toevoegt dat het voor de dichter misschien nóg heerlijker is om zo'n meisje dood te máken, in zijn poëzie dan. Dan is ze helemaal van hem, onbereikbaar, toespreekbaar. Herinneringen worden nooit tegengesproken, een groot en mooi verdriet kan uitgezongen worden.

En hij is ook mooi, Leopolds verzenreeks die bekend staat onder de naam `Verzen van 1895' en die begint met `De bedgordijnen hangen zoo ijl/ en angstig af'. Er wordt een stervend meisje in opgeroepen, dat steeds meer in zichzelf verzinkt, zoals het een Leopold-heldin betaamt. De `ik' in het gedicht, een jonge man, zoekt vrede met deze afwerende geslotenheid, met het naderende afscheid. Hij herinnert zich hoe het was tussen hen, `een geluk van al-belijden van liefde' en zucht hoe ver dat al lijkt `nu dat mijn leven gezonken zal zijn tot een ernst, die 't al beschreit'. Het is ook in deze reeks dat de stervende zelf aan het woord komt in `O als ik dood zal, dood zal zijn/ kom dan en fluister, fluister iets liefs' – een gedicht waarin ook zij blijk geeft van de grote liefde die er tussen haar en hem geweest is, een liefde die de dood tot niet meer dan `een slapen', `een wachten op u' maakt.

Leopold werkt het sterven helemaal uit, er is zelfs een soort begrafenisgedicht – `Laat ik nu leggen lichte dingen/ op haren lijf en gauw verganke-/lijke' – en daarna komt er nog een vers over de tijd ná de dood van het meisje, de tijd waarin de `ik' omgeven wordt door `het zeer teere medelijden' waaruit geen `troostgezegden in dit leedbijzondere' mogen voortkomen.

De dichter heeft hier in zijn gedichten een wereld gemaakt die hij naar zijn hand zetten kan, verdrietig, maar niet onverschillig en ordeloos. Daarover gaat het vaak bij Leopold, over de samenhang die men aantreft, of zelf schept, in zichzelf, en die de dichter vormgeeft in het gedicht. Van Halsema (het is onmogelijk over Leopold te schrijven en niet geregeld te zeggen `Van Halsema') heeft aannemelijk gemaakt dat in Leopolds grote, en vooral door andere dichters meest bewonderde gedicht Cheops, de strijd tussen de chaos in het heelal en de orde in de piramide van Cheops aan de orde wordt gesteld. Die chaos en orde staan voor twee verschillende levensbeschouwingen, die in het gedicht met elkaar botsen. Het gedicht eindigt in de piramide, waar de ziel van Cheops zich over zichzelf buigt, dat wil zeggen over zijn mummie. Daar, in het hart van de piramide, vindt koning Cheops de eenheid, de schoonheid, het weldoordachte. In de tijd dat hij door het heelal zwierf, opgenomen in een of andere hemelse stoet, heeft hij gezien dat die orde daar niet heerst, dat de piramide dus niet, zoals hij wellicht tijdens zijn leven veronderstelde, een afspiegeling in het klein is van de Grote Orde. De piramide is alleen maar zijn eigen ordening. Net als het gedicht, zou je kunnen zeggen. Hoewel Leopold in vroegere gedichten veronderstelde dat het vers wel degelijk de kosmos weerspiegelde. In zijn `Regen' laat hij alles, hemel en aarde, akkers, heggen, paarden, bomen, `schitterzon, wereld en ruim heelal' bijeenkomen in één regendruppel: `het is bevat in dit klein trilkristal'. Een beetje poëzielezer leest `dit klein trilkristal' ook als `dit gedicht', waarmee Leopold tot een volmaakte symbolist wordt, tot iemand die gelooft in een geordende kosmos.

Het zou tragisch, maar ook wel mooi zijn, om te veronderstellen dat Leopold daarin later niet langer geloofde, omdat hij net als Cheops zou hebben ingezien dat die ene orde niet bestaat, dat het al chaos is, waarin alleen de mens af en toe een kleine kosmos schept, of dat nu een piramide of een gedicht is. Mooi, omdat dat extra belang geeft aan het bouwen en dichten: als er geen andere orde is, dan is de door de mens aangebrachte orde zijn enige troost en houvast. Tragisch, want die troost is maar doen-alsof en hij weet dat. Zo is ook het einde van Cheops te lezen, de laatste regels luiden: `hij is geboeid door de symbolen/ van het voormalige en hij hangt erin'. Schitterende laatste regels, dat moet toch even gezegd, waaruit een onmiskenbare dubbelzinnigheid spreekt zoals menigeen al heeft vastgesteld: `geboeid' is niet alleen aangenaam, en `het voormalige' al zeker niet, en ook dat hangen in dat alles kan zowel houvast als gebondenheid beduiden. Gebonden aan zelf gemaakte symbolen van een niet bestaande eenheid, gedragen door de eenheid van de eigen schepping.

Het zou wel goed bij Leopold passen. De orde van zijn verzen is ontstaan uit een enorme chaos. Degenen die met zijn dichterlijke nalatenschap hebben gewerkt, een grote nalatenschap want bij zijn leven is niet heel veel gepubliceerd, hebben die beschreven als een soort tekstbezorgers-hel: schriftjes, papiertjes, snippers, enveloppen, krantenknipsels, kladjes, blocnotes waarin lastig of niet een volgorde vast te stellen is. In de jaren dertig verschenen voor het eerst de Verzamelde gedichten bezorgd door P.N. van Eyck, waarin een zo groot mogelijk gedeelte van de nalatenschap was opgenomen. Dat betekende, ontdekte men later, dat Van Eyck hier en daar nogal vergaand zelf aan het meedichten was geslagen, dat hij hier en daar strofes bijeenvoegde, verworpen gedichten publiceerde, eigenmachtig volgordes vaststelde, dat hij allerlei varianten eenvoudigweg oploste zodat het voor de lezer leek alsof die een voltooid gedicht onder ogen had.

Editie-technisch even zovele zonden, wat niet wegneemt dat menige Leopoldlezer tot in de jaren tachtig schuldeloos genoten heeft van het werk dat Van Eyck verrichtte. Het leest ook eerlijk gezegd prettiger, juist omdat alle moeilijkheden zijn weggedicht door de editeur. Staat bijvoorbeeld bij Van Eyck: ,,O donker en grootmogend woord/ maakten de glanzend zijen halen,/ is het de peinzing in het dalen,/ dat het aldoor wordt nagehoord?' dan treft men in de verantwoorde nieuwe editie van H.T.M. van Vliet en A.L. Sötemann een soort droedel van zinnen en woorden aan, zodat er behalve `donker en grootmogend woord' ook zou kunnen staan `overhangend schaduww[oord]' waarbij ook de woorden `ijl' en `subtiel' nog om een plaats vragen. Alleen het `O' is zeker. De waarheid is niet altijd een verbetering ten opzichte van de fictie.

Editeur Van Vliet onderschrijft de verzuchting van Van Eyck ,,dat de uitgave van Leopolds nalatenschap een voor werkelijk bevredigende oplossing niet vatbaar probleem is''. En zijn mede-editeur Sötemann schreef eens, over Leopolds werkwijze: ,,Het is alsof een jongleur een aantal voorwerpen, van links en rechts bijeengegaard, hoog in de lucht werpt om ze samen te brengen in een constellatie.'' Sötemann heeft trouwens zelf verbluffende staaltjes van mee-jongleren vertoond en vele kladblaadjes uit het hoofd geleerd ten einde min of meer te kunnen meedichten met Leopold, om zo de ontstaansgeschiedenis van een onvoltooid nagelaten gedicht te kunnen beschrijven. Zulke dingen doen neerlandici als ze gegrepen zijn door een dichter. En Leopold heeft er een aantal stevig te pakken.

Het is wel eens wonderlijk om de `gewone' Leopold, dat wil zeggen, de Leopold zoals een niet-neerlandicus of niet-classicus of niet-bestudeerder hem leest, te leggen naast de bestudeerde. De `gewone' Leopold is toch vooral een dichter van klank en zangerigheid, een zoetvloeiende, mooi romantisch-weemoedige dichter die ons stemmingen en sensaties geeft die niet zo makkelijk in woorden na te vertellen zijn, wiens zinnen we graag herhalen – `zie mij, hoe ik u heb verwacht'. De bestudeerde Leopold is een geleerde classicus die van zijn lezers eenzelfde belezenheid vraagt. In die Leopold woedt de strijd tussen de Epicureërs en het denken van de Stoa, hij is de schepper van gedichten die gebaat zijn bij kennis van Helleense en Egyptische mysterie-leren, enige kennis van Spinoza etc.

Juist degene die zich het meest heeft ingezet om Leopolds bronnen te achterhalen, alweer Van Halsema, schreef een artikel onder de opgeruimde titel `Echt nodig is het nu ook weer niet' waarin hij, niet op volle kracht, maar toch, verdedigt dat Leopold heel goed te lezen valt zonder dat je Epicurus in je zak hebt zitten. En dankzij hem is dat ook wel enigszins waar geworden wie Van Halsema over Cheops leest hoeft daarna niet meer de hele Stoa te bestuderen, die weet genoeg om het gedicht met vrucht te kunnen lezen. En te kunnen genieten, zowel naar inhoud als naar vorm.

Geen wonder dat Poetry International een poging doet om deze dichter aan buitenlandse dichters voor te stellen. Want niet alleen is er tijdens het festival een hommage-programma aan Leopold gewijd, ook zullen de buitenlandse gasten deelnemen, voorzover ze willen, aan het `vertaalproject'. Dat betekent dat zij moeten proberen om al die klanken, heel die zang over te dragen naar het Pools, het Duits, het Engels. Hoe moet dat gaan. Maar het geeft niet als het geen geweldige vertalingen oplevert, als ze door hun pogingen de gedichten maar naderbij komen. Bijvoorbeeld zo'n ijl begin als:

Zij tilt zich overeind en in

het licht en maakt een stil begin

stil met zichzelve, langs het smalle

lijf liet zij het hemd afvallen

Overigens ook weer een gedicht waarin de hoofdpersoon vaststelt dat zij zelf de samenhang is tussen iets wat niet eens meer te zeggen valt, haar lichaamsdelen, haar `ik', haar denken. Er staan zinnen in over gedachten die iedereen wel eens draaierig maken, het raadsel van te denken en tegelijk te weten `ik denk', van over `ik' te praten en te weten dat het `ik' dat over `ik' praat een ander `ik' is....,,is zij dit zelve, is zij erin/ en ziet zich zelve, waar is het begin/ van dit wat te denken bezig is' . In dit gedicht verzinkt men mee met de hoofdpersoon die in zichzelf verzinkt, en daar aan de grenzen van het denkbare komt, en zich herneemt `met kleuren om haar vreemddoen'.

Het is dikwijls of Leopold gelooft, of aanvankelijk geloofde, dat alleen in die binnenwereld, in die ordening die men zowel zelf maakt als is, het ware te vinden is. In zijn gedicht bij de dood van Paul Verlaine schrijft hij zelfs dat de enige zin van het leven zou zijn ,,dat wij wezen zouden/ verscholen, in geduld gehouden/ en wegverloren'. En het tienjarige meisje dat de hoofdpersoon is van `Kinderpartij' verliest zich in wat ze in zichzelf aantreft terwijl ze midden in de om haar heen dansende kring van kinderen staat. Ze kijkt in zichzelf alsof ze een toverlantaarnvoorstelling is `in een verrukkelijk beschouwen,/ van wat ditmaal weer opdoemen zouên' en ze ziet van alles: dagelijkse dingen, geliefde plekken, vogels, tuinpriëlen, allerlei mooie en dichterlijke dingen die zo heerlijk klinken `stuifzaadjes, die een mond wegblies,/ een zuilengang, een marmerfries', vergeten herinneringen, kortom een geweldige bric à brac van indrukken die hier `in wondere orde/ en aan elkaar verwant geworden' zijn. En verder nog gaat het, ze keert zich tot haar gedachten en gevoelens, tot dat wat alleen van haar is, tot wat ze ís: `het eenige onbetwijfelbare,/ het voelen van het eigen ik'.

En daar zijn we dan weer op een heel leopoldiaans punt aangekomen, waar er uiteindelijk niet meer is dan dat, dat `eigen ik', waaromheen hier een keurige kring van kleine zingende meisjes draait `als waren 't de Uren', maar dat in Cheops omgeven wordt door niet meer dan een zelfaangebrachte orde met daarbuiten een woeste en eenzame chaos. In `Kinderpartij' is de kern van het gedicht het diepste van het meisje, waarheen we eerst geleid worden en waarvandaan we ons dan weer begeven, tot alles heel veraf lijkt, tot er niets meer te zien of te horen is en het gedicht eindigt met `er is een enkel hel/ gerinkel van cymbelspel/ en ook dit minderde en verging'. Maar het is wel geschreven, de orde is met nadruk aangebracht. Het is een innerlijke orde, van versregels en metrum, van zelfbeschouwing en inkeer. Daarbuiten is er geen.

Donderdag 21 juni `Hommage aan J.H. Leopold'. Poetry International, Rotterdamse Schouwburg, 20 uur, kleine zaal. Reserveringen: 010-4118110.