Weg met de kruidentuin!

Bij oude gebouwen verwacht het betalende publiek een kruidentuin, zo is de redenering, en dus wordt bij iedere burcht, stins, state en havezathe een oubollig tuintje aangelegd waarin kruizemunt, meekrap en wede worden aangeplant. Daarom hebben we nu veel meer kruidentuinen dan in de Middeleeuwen, terwijl we ze toen nodig hadden. De kruidentuin kan net zo groot of zo klein gemaakt worden als men zelf wil, want het begrip `kruid' is rekbaar. Wie weinig ruimte heeft beplant de perkjes met peterselie, bieslook, tijm en nog wat veelgebruikte keukenkruiden, maar wie niet louter wil vermaken maar ook nog voorlichten, breidt zijn assortiment naar believen uit met geneeskrachtige kruiden, geestverruimende kruiden en verfkruiden. Geneeskrachtige kruiden kunnen vervolgens weer worden onderverdeeld in huismiddeltjes tegen koorts, aambeien, migraine, kraamvrouwenkoorts en ander ongemak.

De zeer professionele kruidentuin van het Nederlands Openluchtmuseum, in Arnhem, is een schoolvoorbeeld van zo'n educatieve tuin. Je dwaalt er door een labyrint van kwalen, van het laxeerperk kom je bij het bedje voor de slechtwerkende galblaas, van urinedrijvend fluitenkruid bij de pijnstillende duivekervel. Een eldorado voor homeopathie-gelovigen en aanhangers van andere primitieve natuurgeneeswijzen. Waar ik me trouwens over verbaas, is dat niemand de wegbermen kaalplukt terwijl toch een flink deel van de natuurgeneesmiddelen gratis langs 's Heren wegen geoogst kan worden en een doosje van twintig paardebloemdragees of wilgenschorscapsules bij de drogist al gauw vijfentwintig gulden kost. Kennelijk bezoekt men een educatieve tuin niet uit leergierigheid, maar om verstrooid of vermaakt te worden. Ooit heb ik uit balorigheid in zo'n kruidenhof wel eens wat steeketiketten verwisseld, maar er is nooit een slachtoffer gevallen.

De kruidentuin van het Nederlands Openluchtmuseum is niet zomaar een kruidentuin. De tuin kwam in 1927 tot stand, met hulp van de Nederlandse Vereniging van Geneeskruidtuinen en met financiële steun van koningin Wilhelmina en haar moeder Emma. Prof.dr. W.C. de Graaff besloot zijn feestrede ter gelegenheid van de opening met de woorden: ,,Moge er van deze stichting een voortdurende stille aandrang uitgaan tot het ontginnen van het terrein onzer Vaderlandse plantlore en tot het behouden van onze kennis van de geneeskrachtige gewassen.'' Had hij toen die puber voor ogen die lusteloos achter zijn ouders aan slentert en verveeld een paar bladeren van de cannabisplanten plukt?

Kruidentuinen zijn nooit spectaculair, maar je kunt er altijd met genoegen naar kijken. Waarschijnlijk is het de symmetrie die aan een diepgewortelde behoefte van de bezoeker appelleert. Je zou zelfs kunnen stellen dat klassieke patroon van de kruidentuin – vier vakken – teruggaat op de oeroude overtuiging dat de wereld uit vier elementen bestaat: aarde, vuur, lucht en water. Veel kruidentuinen zijn meer decoratief dan educatief bedoeld. Een flinke handicap is dat veel kruiden nauwelijks decoratief zijn; ze groeien ordeloos en hangen als dronken feestgangers over de keurige klinkerpaadjes. De creatieve kruidentuinier lost dit op door gewassen te planten die niet eetbaar maar wel mooi zijn. De door vrijwilligers onderhouden moestuin van kasteel Middachten in De Steeg ligt er netjes bij, alsof de werkster eens ouderwets gepoetst heeft. Nuttige, eetbare kruiden zijn in de minderheid; die zijn saai om naar te kijken, want van het blad van majoraan of basilicum raakt niemand in vervoering. Maar fleurige geneeskruiden die je in de keuken maar beter kunt vermijden, geven de tuin vorm en kleur. De zachtgekleurde baksteen van de verweerde tuinmuur vormt een passende achtergrond voor paarsbloeiend vingerhoedskruid en felblauwe hondstong. Nooit geweten dat je de vuurwerkplant tot de kruiden kon rekenen, maar het is een prachtige plant die precies het verschil maakt tussen saai en boeiend.

Sinds een jaar of twintig wordt het aanleggen van een kruidentuintje ook aan de particuliere tuinbezitter als optie gesuggereerd. Gewetenloze tuinbladenmakers zijn gek op fotogenieke tuinelementen, zonder zich af te vragen wat hun leuke tips voor de onervaren tuinier voor gevolgen hebben. Ze zadelen de lezer op met onpraktische, op papier aardig ogende ideeën: maak een pad van loopkamille; bouw een middeleeuwse zodenbank; leg een kruidentuintje aan rondom een oude waterput. De perkjes worden gevuld met flauwekulkruiden als wijnruit, roomse kervel en karmozijnbes. Pas een paar jaar later komt de kruidentuinier erachter dat hij aan het contact met de wijnruit pijnlijke brandblaren overhoudt, dat de roomse kervel de rest van de tuin heeft overwoekerd en dat de karmozijnbes door de vogels wordt verspreid en drie straten verderop in de border ontkiemt. Zijn waterput lekt, zijn loopkamille kan niet tegen lopen en zijn zodenbank blijft na een regenbui een week lang nat. Voor wie geen kasteeltuin heeft en zijn eigen tuin moet onderhouden, heb ik maar één advies: op de schop met die kruidentuin; plant alleen die kruiden die u veel gebruikt. En plant ze gewoon tussen de andere planten of, als u geen tuin heeft, in potten op het balkon.