Voetangels voor Indiana Jones

Ooit telde het Koninkrijk der Nederlanden plekken waar nog geen blanke voet had gezet. Een fraaie tentoonstelling in Leiden toont de `wetenschappelijke' ontsluiting van Oost- en West-Indië.

Wie op weg naar kantoor het liefst een triplepoint goretex jas draagt, onbeheersbare bladerzucht voelt bij de zoveelste buitensportcatalogus en het liefst vibram montange zolen onder zijn badslippers zou hebben, die moet naar Leiden. Daar, in het Rijksmuseum voor Volkenkunde is de tentoonstelling `Indië ontdekt, expedities en onderzoek in de Oost en de West' te zien.

Ter ere van het 150-jarig bestaan van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) toont het museum opgezette dieren, houten kunstvoorwerpen, wapens, ingenieus rijgwerk, miniatuur huizen, opgeprikte vlinders, uitheemse kledingstukken en prachtig geïllustreerde boeken; tastbare resultaten van ontdekkingsreizen in het voormalige Nederlands Oost-Indië en Suriname.

Nu gaan we voor een tocht door een `natuurgebied' in de tropen eerst bij de reisboekhandel langs, kiezen onze uitrusting bij de gespecialiseerde buitensportwinkel en halen een cocktail bij de GG&GD. We komen thuis met dia`s, videofilms en – naast een hardnekkige virusinfectie – houtsnijwerk van souvenir-kwaliteit. Hoe anders ging dat toe in de beginfase van het avontuurlijke reizen. Men dacht nog dat malaria van slechte lucht kwam en er was nog geen Bever, Demmenie of Denig-winkel; alles moest aan den lijve worden uitgeprobeerd.

Meteen bij het betreden van de tentoonstellingsruimte stuiten we op de Midden-Sumatra expeditie van 1877-1879. In een van de uitgestalde boeken wordt uitgebreid uit de doeken gedaan wat de expeditieleden aan hadden. Naast tekeningen van provisorische overnachtingsmogelijkheden staat ook iets over de overwegingen van de expeditieleden om net als de lokale bevolking blootsvoets te gaan. Maar wat blijkt proefondervindelijk: ,,De goed geschoeide Europeaan kan den marsch langer uithouden, dan den ongeschoeide inlander, hoezeer deze ook aan het blootvoets gaan gewend moge zijn.'' Dat begrijp je des te beter, wanneer je verder kijkt. In de vitrine staat een bakje met onopvallende, houten steeltjes. Nee, geen reserve schrijfhoutjes voor kroontjespennen, maar naar geslepen voetangels. Wie in het toenmalige Oost-Indië op ontdekkingsreis ging, betrad vijandelijk gebied en moest letterlijk op zijn passen tellen.

Een eeuw later bezigden de marxistische studenten die de Nederlandse universiteiten overstroomden de term `burgelijke wetenschapper' voor iedere -loog of -goog die niet marxistisch was angehaucht. Wie de baardige, Duitse profeet afwees, werkte mee aan de instandhouding van een perfide en ten dode gedoemde maatschappij. De expositie geeft de marxisten achteraf een beetje gelijk, en de Sumatranen die in de modder spiezen verborgen ook. Want de geograaf die de loop van rivieren in kaart bracht, de geoloog die naar bodemrijkdommen zocht en de etnoloog die de zeden en gebruiken van de lokale bewoners beschreef, zij allen effenden de weg voor het koloniale bestuur.

In het fraaie boek dat bij deze expositie is uitgebracht, heet het enigszins versluierd dat de Nederlandse staat Oost-Indië beter kon exploiteren ,,bij een voortschrijdende wetenschappelijke kennisvergaring''. Die staat had misschien wel het beste voor met de Sumatraanse volken, maar was toch vooral geïnteresseerd in de winning van delfstoffen en het verbouwen van profijtelijke landbouwgewassen ten bate van Nederland zelve. Maar de toenmalige ontdekkingsreizigers lakeien van het kolonialisme noemen, doet afbreuk aan hun beweegredenen. Voor de meesten zal dat het bevredigen van hun wetenschappelijke nieuwsgierigheid zijn geweest.

Dwalend over de tentoonstelling, van Sumatra naar Borneo en Nieuw Guinea, van de binnenlanden van Suriname naar de Boroboedoer en de vorstenlanden van Java, kan de bezoeker niet anders dan jaloers zijn op deze Indiana Joneses avant la lettre. Hoe verleidelijk is het niet het leven van die ontdekkingsreizigers te romantiseren. Onder de parasol van de wetenschap verpozen tussen vreemde volken en dito planten en dieren. Daarvoor is de prijs van een paar voetangels en wat koppensnellers toch niet te hoog? Maar dan lezen we in een terloopse alinea in `Indië ontdekt, expedities en onderzoek in de Oost en de West' van Bakels en De Jonge, dat ,,Kuhl en Keultjes reeds negen maanden na aankomst op Java (stierven), terwijl Van Hasselt na drie jaar overleed''. En van de ter aanvulling uitgezonden nieuwe ploeg van vier mannen keerde er maar één terug naar Nederland. Dan zit je met zo'n all weather jas van krap achthonderd gulden toch erg lekker in de tram.

Indië ontdekt, expedities en onderzoek in de Oost en de West t/m 31 dec 2001, Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Open di t/m zo 10-17u Entree ƒ13,50 Tel 071-5168800 Internet www.rmv.nl