Trou moet Blycken

Een Nederlander staat in Zuid-Afrika vooral bekend als iemand die, om te laten zien dat hij zich thuisvoelt, luid Sarie Marais begint te galmen. 't Is voor de Nederlander misschien een nostalgisch liedje, maar aan die kant van de wereld gaat het niet om dezelfde nostalgie. Toch kan ook elke Zuid-Afrikaan het nazingen.

De brave toerist die wil pronken met zijn paar woordjes Afrikaans ontspoort al bij het derde woord. Voor Nederlanders rijmt Marais altijd op Parijs. My Sarie Marijs zingen we. In het Afrikaans wordt het uitgesproken als Marè, dus echt op z'n Frans, wat wel curieus is omdat juist Franse namen altijd grondig zijn verafrikaanst. De Villiers rijmt op Algiers en Du Toit op uitgeroeid.

My Sarie Marais

is te skaam om te sê

die hen het die pispot

vol eiers gelê

luidt een spotrijmpje van R.K. Belcher. Marè of Marijs, het blijft een smartelijk liedje. Een liedje van wrede scheiding en verterend verlangen, dat het uit de mond van je moeder altijd heel mooi deed. Tot de jaren zestig van de twintigste eeuw moeten alle Nederlandse kinderen het hebben gekend. Moeders moeten het weer van hun moeders hebben geleerd. Telkens als ik het beroemde versje van Gerard den Brabander las

Ik, kleine slaaf van poëzie en taal,

mij was ter borst de eerste melk al

schraal.

Zó droef, zó dun klonk 't

moedermonds verhaal,

waar het kanon in doorklonk van

Transvaal,

en zó vol tranen was het kleine lied

van bruut verraad en simpel boers

verdriet,

dat, wat mij voedde, woord en melk

en brood,

dit ál doortrokken was van dood

en dood

nam ik als vanzelfsprekend aan dat het om het kleine lied van Sarie Marais ging. Misschien zong zijn moeder een heel ander lied, wie weet. Maar de suggestie van verraad en verdriet was in Sarie Marais duidelijk aanwezig. Je identificeerde je met de kleine underdog op wie jacht werd gemaakt.

Ek was so bang

Dat die kakies my sou vang

wat een suggestieve regel! Zelfs al wist je dat het woord kakies te maken had met soldaten die in kaki liepen, dan nog bleef je hun opengesperde kaken voor je zien. De dreiging was overal. Een oorlog had twee mensen wreed gescheiden en de uitkomst was onzeker. Het laatste couplet mocht dan hoopvol klinken, echt geloven in de hereniging deed je niet. De afstand in O bring my trug na die ou Transvaal bleef onoverbrugbaar. Vooral als je het zong. Dit was een lied van boers verdriet en kilometers.

In Zuid-Afrika bezat het lied vanzelf een andere lading. Het ging om echte geschiedenis, om bloedig nationalisme. De tekst deed in zijn oervorm al de ronde sinds het midden van de jaren tachtig van de negentiende eeuw, dus het verhaal moet verwijzen naar de Anglo-Transvaalse Oorlog van 1880-1881.

Ben ik de enige die dit liefdesliedje altijd associeerde met de Boerenoorlog, met Oom Kruger en de held van Spioenkop? Met De Brabander zat ik er ook al naast. Poëzie blijft een zaak van misverstanden.

De lied-deskundige Jacques Klöters schrijft in In die grote stad Zaltbommel. Liedjes van school, club en kamp over Sarie Marais dat de bekendheid in Nederland van ca. 1920 dateert. Den Brabander werd in 1900 geboren. Toch wat te oud toen om nog bij zijn moeder op schoot te zitten. Had zijn moeder Afrikaanse relaties en daardoor toegang tot het orale circuit? Ik laat me mijn illusies niet zomaar ontnemen.

Gelukkig heeft de Sarie Marais-wetenschap in Zuid-Afrika ontdekt dat de figuur van Sarie Marais is geïnspireerd op een vrouw die echt heeft bestaan. Nu ja, de wetenschappers vechten er nog om. Volgens één kamp is het Susara Johanna Adriana Maré geweest, die al in 1877 is overleden en dankzij haar zoon in het liedje is terechtgekomen. Volgens het andere kamp was het Susara Margaretha Maré, die pas in 1939 zou overlijden. Die laatste moet het dus zijn, correspondentievriendin van mevrouw Den Brabander.