Onderwijsparadoxen

DE TREND IS al langer bekend. Maar het blijft een onaangename verrassing. De uitgaven voor het onderwijs in Nederland, qua rijkdom per hoofd van de bevolking nog steeds in de top twintig van de wereld, blijven achter bij de economische groei. Nog steeds verkeert Nederland onder de norm van 5 procent van het bruto binnenlands product die in het Westen gangbaar is, hoewel het Europese gemiddelde daar met 5,8 procent ruim boven zit.

Er is één troost. Nederland staat niet alleen. Het is een tendens in nagenoeg de hele gevestigde industriële wereld. Het is welhaast een wetmatigheid. Naarmate de welvaart toeneemt, wordt het moeilijker de uitgaven voor de niet-fysieke infrastructuur (onderwijs, zorg en veiligheid) gelijke tred te laten houden. Volgens het gisteren gepresenteerde rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn de onderwijsuitgaven ook in de Verenigde Staten onder de 5 procent gedaald. En in een economische turbomotor als Ierland is het verschil tussen onderwijsbudget en groei nog groter dan in Nederland. Dat de tendens in bijvoorbeeld Turkije omgekeerd is, illustreert hooguit in demagogische zin iets. Temeer daar ongeveer twee derde van de Nederlanders nog altijd een middelbare school heeft afgemaakt, relatief goed presteert in cruciale vakken als wiskunde en het onderwijs, gelet op salarissen of aantal lesuren, ook in het algemeen op hoog niveau staat.

Maar er zijn desondanks aanwijzingen dat het geen wet van Meden en Perzen is dat dit zo blijft. Met een percentage van 25 procent dat een hogere opleiding heeft afgerond, begint met name de jeugd achter te lopen op landen als Frankrijk of Groot-Brittannië. Dat zegt niet alles, omdat duur en aard van hogere opleidingen variëren en dus ook de curricula van bijvoorbeeld verpleegkundigen. Maar dat men daar is overgegaan tot dergelijke korte studies is wel een indicatie. Onder de jeugd dreigt Nederland namelijk zijn voorsprong te verspelen, een tendens die nog eens versterkt kan worden door de vergrijzing van de leerkrachten die bijna nergens zo oud zijn als hier.

CIJFERS EN statistieken over het onderwijspeil zijn nooit absoluut. Ze bieden bijna altijd relatieve inzichten. Juist daarin schuilt de betekenis van het OESO-rapport. De keuzes die Nederland maakt, worden hoe dan ook afgezet tegen de omringende wereld. Een hoog opleidingsniveau is geen kwestie van trots, het is een noodzaak. Wie tevreden is met het bestaande loopt al snel achter.

Dat geldt zeker voor Nederland, waar de aloude `wet van de remmende voorsprong' zich laat voelen. De bakens worden nu verzet. Het beleid van minister Hermans is er bovendien en terecht op gericht de scholen en instellingen zelf meer ruimte te geven. Het blijft van belang niet terug te krabbelen als de economische indicatoren onverhoopt naar beneden gaan wijzen.